Een-en-twintigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 31
XXXI
DE JAARVERGADERING. Precies te 9 uur zou de Jaarvergadering aanvangen, en het bleek, dat zij druk bezocht zou worden. W a n t niet alleen onze vrienden en vriendinnen uit Haarlem, maar ook zeer velen van elders waren op den bestemden tijd aanwezig. De treinen uit Amsterdam hadden heel w a t aangebracht; maar ook uit Leiden, Den Haag, Rotterdam, uit Utrecht, uit Zeeland zelfs waren ze opgekomen, om den jaardag onzer Vereenigmg mee te vieren. De vergadering droeg een echt nationaal stempel, en vulde de groote zaal van het Brongebouw geheel. Later in den morgen zelfs moest op de galerijen plaats worden gezocht. De leiding der jaarvergadering was door heeren Directeuren opgedragen aan Prof. Dr. W. Geesink, die de vei'gadering deed zingen de verzen 7 en 8 van Psalm 89, en haar daarna voorging in gebed. De Voorzitter spi'ak daarna de vergadering ongeveer als volgt t o e : Ik heet U welkom in Haarlem, in deze stad, zoo rijk aan historische herinneringen, die wij allen reeds in onze schooljaren hebben opgedaan. Historische herinneringen door Huygens saamgevat in een dier Stedestemmen, waarin Haarlem spreekt: Al heb iok 't myner tyd der Vorsten Hof gevoedt, 't Is mijn geringliste roem, mijn hooghsten staet in 't bloed, Der Goddeloosen bloed; van doen myn' staele kielen Haar Ys'ren Haven-touw aanvaerdden te vernielen. 't Huys heb iok oock voor God, voor goed en vrjdgheit Myn 'Borgeren gewaeght, en Spagnon noyt gevleidt. Historische, maar ook herinneringen aan wetenschap, aan religie en aan kunst wekt Haarlem bij ons op. Ik heb u uit de talrijke schare van groote burgers slechts te noemen een Johannes Hoornbeek, een Jacobus Trigland, een Pieter Teyler v. d. Hulst, een Pieter Langendijk,. een Nicolaas Beets en — het zal u wel niet bevreemden, dat ik thans hèm niet vergeet — een Frans Hals. Frans Hals, de kunstenaar, de schilder van wien een dankbaar nageslacht hier, juist in deze maand, het standbeeld heeft onthuld. Een standbeeld voor Frans Hals, bij wien het gemis aan overeenstemming tusschen het ethische en het esthetische, indien ge zijn levensboek opslaat, u zeker niet weldadig aandoet, maar wiens moraliteit van niet te best allooi toch nooit aan de artisticiteit van zijn werken heeft tekort gedaan. Door niemand is dit, naar het mij voorkomt, schooner en juister gezegd, dan door Schaepman, in deze woorden, die hij den held van het feest omtrent zich zelf liet spreken: Verloren heel mijns vaders have en gave, Maar nooit de gave van mijn grooten Vader, Daarboven in den hemel, mijn genie! Nooit heb ik mijne kunst in 't slijk geworpen, De alreine nooit door 't varkensdraf gesleurd, De heilige nooit tot veile deern vernederd, Tot geile schaamteloosheid nooit geleend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1901
Jaarboeken | 219 Pagina's