Een-en-twintigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 44
XLIV
versiteit gevormd werden, om welke reden dan ook; ook dan zou toch de litterarische faculteit een arbeidsveld en een reden van bestaan hebben. . Ik weet zeer wel, dat philologen op dit deel van haren arbeid eenigszins met minachting neerzien; maar ik weet ook, dat zij daarin ongelijk hebben. Indien er voor dezen arbeid meer lust en liefde geweest ware, dan zou er eene breede rij van geleerden gevormd zijn, die, ofschoon zelf geen philologen in den eigenlijken zin, toch voor de philologie waardeering toonden op kennis gegrond, wat voor de philologie vooral in deze dagen eene zaak van groote beteekenis zou zijn. En de theologische en juridische faculteiten zelf zouden er evenzeer wél bij gevaren zijn, wanneer hare leerlingen hunne wetenschap op een breederen. grondslag van philologische kennis hadden kunnen opbouwen. Ik mag er in dit verband zeker wel aan herinneren, dat mijn waarde collega Kuyper niet alleen doctor in de theologische, maar ook candidaat in de litterarische faculteit is. Ik kom nu tot het meer zelfstandige deel van de taak der litterarische faculteit: De opleiding van philologen. Zelden gebeurt het, dat een student de philologie als studievak kiest zonder daarbij een bepaald doel van practischen aard voor oogen te hebben. De regel is, dat philologen opgeleid worden voor betrekkingen als die van leeraar aan gymnasia en middelbare scholen, van archivaris en bibliothecaris. Het getal dier betrekkingen is echter gering. De leerlingen der openbare universiteiten moeten thans, wanneer zij gepromoveerd zijn, dikwijls jarenlang wachten, vóór ze eene betrekking bekomen, die een sober bestaan oplevert. Zij nemen hunne toevlucht daarom niet zelden tot bijzondere scholen. Dezer dagen hoorde ik nog van een litterator, die aan eene bijzondere school dertig uur in de week had les te geven en dan nog zes uur surveillance, waarvoor hij de kapitale som van ƒ 2000 in het jaar ontvangt. Ook voor ons zijn de vooruitzichten niet schitterend. Wij hebben thans drie gymnasia, en volgens sommigen is dit getal reeds te groot. Ik ben niet van die meening. Wanneer alle ouders, die tot de Gereformeerde kerken behooren, zich voornamen hunne zonen in geen geval naar een openbaar gymnasium te zenden, zoolang er Gereformeerde of ook in 't algemeen Christelijke zijn, zou het getal leerlingen voor deze gymnasia voldoende wezen.. Maar vele ouders kennen de gevaren niet, waaraan zij hunne kinderen blootstellen, en laten daardoor de financieele belangen zwaarder wegen dan geoorloofd is 't Gevolg daarvan is, dat zij niet alleen hunne eigen kinderen onder eene leiding stellen, die ingaat tegen hunne belijdenis en wrange vruchten moet dragen, doch ook dat zij voor andere ouders den goeden weg onmogelijk maken. Immers, wanneer er 50 ouders zijn, die voor hunne kinderen Christelijk gymnasiaal onderwijs verlangen, maar 20 van. dezen zien tegen sommige bezwaren op en laten hunne kinderen een openbaar gymnasium bezoeken, dan maken zij het voor de 30 overigen onmogelijk aan hun plicht en wensch te voldoen, daar een gymnasium, dat met 50 leerlingen zou kunnen bestaan, met 30 leerlingen niet in stand gehouden kan worden. Deze zaak moest veel meer worden overwogen; wij moeten
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1901
Jaarboeken | 219 Pagina's