Een-en-twintigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 43
XLIII
meer ruimte toestaat dan de andere universiteiten. Van onze studenten in de rechtsgeleerdheid wordt verlangd dat zij, vódr zij aan hunne eigenlijke rechtsstudie beginnen, zich nog een jaar lang wijden aan de studie van Grieksch en Latijn, Romeinsche oudheden en Nederlandsche taal en letterkunde, liefst ook nog aan logica en geschiedenis der wijsbegeerte. Ook onze studenten in de theologie hebben, vóór zij tot de studie van hun eigenlijk vak overgaan, niet alleen examen af te leggen in het Hebreeuwsch en de Bijbelsche oudheden, maar ook in het Griekscb en het Latijn en in het Nederlandsch. Wie ook maar eenigszins rekening houdt met de eischen van degelijke wetenschappelijke studie, zal toestemmen dat de colleges in deze vakken veeleer uitbreiding dan inkrimping behoeven; ik zeg: de colleges, want de uitbreiding en verzwaring der examens is daarvan geenszins een noodzakelijk gevolg. Ouders die het wel meenen met de studie hunner zonen, mogen wel bedenken dat, wanneer de studie in de rechten b. v. daardoor een jaar langer duurt, dit waarlijk geen verlies is, indien namelijk de studie ernstig ter harte wordt genomen. Al wat in uwe hand is, doe dat met al uwe macht, moet de leus der Gereformeerden zijn. Wij moeten niet achteraankomen, zelfs niet gelijken tred houden met anderen, maar vooropgaan; en dat waarlijk niet voor onze eere, maar omdat het Gods wil is, dat wie Zijnen Naam belijdt, ook in de wetenschap toone, dat hij, krachtens deze belijdenis, niet traag van zin en klein van moed mag zijn, maar juist de banier hoog moet houden. Het is mij daarom een oorzaak van groote vreugde, dat er aan onze Universiteit studenten in de theologie zijn, die er den tijd en de moeite voor overhebben, om eerst het candidaats-examen in de litterarische faculteit af te leggen, vóór zij zich voorgoed aan de studie der Theologie begeven. Ik geloof niet, dat deze studenten daar ooit berouw over zullen hebben. Niet lederen student zal ik dit aanraden, maar wel hun, die daartoe gaven en krachten van God hebben ontvangen. In den arbeid ten behoeve van de theologische en de juridische faculteit bestaat dus reeds een deel van de taak der litterarische faculteit. Reeds dit deel is voor groote uitbreiding vatbaar en heeft daaraan behoefte. Het aantal colleges, dat er aan gewijd wordt, is op verre na niet voldoende. Zonder overdrijving rnag gezegd worden, dat dit getal niet meer dan de helft is van hetgeen het moest zijn om voldoende te wezen. Aan een college voor de paedagogiek, ook voor aanstaande tlieologen van groot gewicht, wordt slechts één uur in de week gewijd; zoo ook aan het college over Nederlandsche taal en letterkunde, over Hebreeuwsch en andere, wat natuurlijk veel te weinig is. Geschiedenis van het Vaderland en Algemeene Geschiedenis worden niet eens onderwezen, ofschoon goed universitair onderwijs in deze vakken voor onze richting waarlijk geen weelde zou zijn. Ik maak op dit deel van de taak der litterarische faculteit in de eerste plaats opmerkzaam, omdat het blijvend is, zoo lang de Universiteit bestaat, 't Geval laat zich denken, dat er geen leeraren voor gymnasia en middelbare scholen aan de Vrije Uni-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1901
Jaarboeken | 219 Pagina's