Een-en-twintigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 34
XXXIV
zijn, waarin zij overeenstemmen, en dit nu juist is er volgens hen bij wetenschap en religie niet. Zulk hopeloos pogen nu wekt bij den toeschouwer onlust. Laat ons daarom zien, wat er van het beweren dezer tegenstanders aan is. Daartoe is maar één weg mogelijk, en wel deze, dat wij ons èn van de wetenschap èn van de religie een begrip trachten te vormen. Volgens onze tegenstanders toch zijn religie en wetenschap onvergelijkbare begrippen, omdat zij naar den inhoud geheel van elkaar afwijken, zelfs geen enkel kenmerk met elkaar gemeen hebben. Mocht nu zulk een kenmerk gevonden worden, dan zou hiin begrip van religie en wetenschap onjuist blijken te wezen; hun onlust bij het aanschouwen van ons pogen mitsdien onredelijk; en tevens de vraag, of er tusschen religie en wetenschap overeenstemming mogelijk is, in bevestigenden zin zijn beantwoord. Wat is wetenschap? Hetzij als steeds toenemend geheel van nienschelijk weten, zooals het bestaat in de hoofden der gezamenlijke geleerden, hetzij als het weten dat iemand omtrent een of ander voorwerp bezit, wetenschap is allereerst kennis. Kenbaar is voor den menseh alleen wat onder zijn uitof inwendige waarneming valt. Wat daarbuiten ligt is voor hem het onkenbare. Wat wij dus waarnemen zijn indrukken, gewaarwordingen, en uit deze maken wij aanschouwingen, voorstellingen. Onze kennis bestaat uit de voorstellingen van onze wereld. Ons verstandelijk denken tracht tusschen die voorstellingen verband te vinden. Vooral het verband van oorzaak en werking. Het vormt daartoe uit die voorstellingen begrippen, die het dan verder gaat scheiden of verbinden tot oordeelen. Het denken streeft daarbij naar waarheid, d. i. naar overeenstemming tusschen die oordeelen en de werkelijkheid. Het zoekt naar den grond, waarop zulk een oordeel rust, en vindt dien óf in de ervaring óf in de juiste gevolgtrekking uit andere oordeelen, waarvan het den grond reeds gevonden heeft. Waar nu is voor het verstandelijk denken van den menseh alles waarvan hij .langs een dezer twee wegen of ook langs beide te zaam een groad heeft gevonden. Zulk een grond is dan voor hem een noodzakelijke, omdat een anderen dan dien zich te denken voor dit zijn denken een tegenstrijdigheid zou zijn. Het verstand dat in de voor ons kenbare wereld overal het verband van oorzaak en werking ziet, zoekt dat verband te begrijpen en daarmee die wereld te verstaan, als een verband van uit noodzakelijke gronden af te leiden gevolgen. Eerst waar dit gelukt, is de kennis tot weten verheven. Zulk een weten omtrent een deel van onze wereld, noemen wij 'n wetenschap; alle deze wetenschappen te zamen de wétenschap, en het wezenlijk kenmerk van wetenschap is dan, gelijk wij zagen, een door verstandelijk denken verkregen, voor ons ware, wijl op noodzakelijke gronden rustende, kennis. En nu, wat is religie? Ik gebruik dit woord met opzet, omdat »Godsdienst" te veel herinnert aan culte, aan eeredienst, en religie en eeredienst, hoe nauw ook verwant, toch te onderscheiden zijn. De voorrede van onze Statenvertaling spreekt dan ook van »de oprechte, ware, christelicke gereformeerde Religie, ende de suyvere Godtsdienst".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1901
Jaarboeken | 219 Pagina's