Een-en-twintigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 46
XLVI
wanneer wij niet ootmoedig den zegen, den onverdienden, ja menigwerf verbeurden zegen erkenden, dien Hij ons in deze twintig jaren genadig heeft geschonken. Dat wij, hoe klein dan ook, eene plaats hebben .gekregen op het wetenschappelijk erf in ons vaderland, dat de naam der Vrije Universiteit, ook bij tegenstanders, somtijds met eere genoemd wordt, dat er telkens meer erkennen dat zij eene toekomst kan hebben, is een zegen van onzen God, waarvoor Hem alleen de eere toekomt. Maar Hij heeft het ons ook door daden willen leeren, hoe wij in alles geheel van Hem afhankelijk zijn. Terwijl wij toch in de eerste plaats mannen noodig hebben met buitengewone gaven toegerust, en Hij ons in Roelof Versluys, van Amsterdam, en Frederik Kuyper, van Hilversum, twee studenten der litterarische faculteit had geschonken, die inderdaad zeer buitengewone gaven bezaten en op wie wij dus in stilte ons vertrouwen, voor de toekomst mochten stellen, heeft het Gode behaagd beiden in den eersten bloei des levens van ons weg te nemen en daarmede groote verwachtingen voor de toekomst te verijdelen. Van levenden zal ik hier niet gewagen, anders zou ik nog op meer dan éénen' leerling der litterarische faculteit kunnen wijzen, die goede vruchten beloofden, maar thans, door Gods hand aangeraakt, niet alleen hoop, maar ook vreeze verwekken. Mocht het den Heere behagen hen te herstellen en voor verdere slagen ons genadig te behoeden. Van Hem alleen is onze verwachting. Wanneer de Vrije Universiteit eene planting is des Heeren, wat wij immers mogen gelooven, zal Hij ons ook op Zijnen tijd de mannen schenken die wij noodig hebben. Diezelfde God, die in den tijd der Reformatie zoovele waarlijk groote mannen verwekte om Zijn Woord en waarheid te handhaven, is nog de God, die in de kinderen die geboren worden de geesten geeft om Zijnen raad te dienen. Aan ons heeft God de taak gegeven voor die geesten den weg te bereiden. Wij hebben te zaaien en te planten. En is het ook menigmaal alzoo, dat hij »die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en weenende", wij verwachten de vervulling der belofte: svoorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijne schooven." Maar behalve de mannen hebben wij, in de tweede plaats, ook de middelen noodig voor de uitvoering van zulk eene groote taak als de litterarische faculteit te vervullen heeft. Tot dusverre heeft het ons aan niets ontbroken. Het is nog niet voorgekomen dat HH. Directeuren een man, die waarlijk geschikt was voor de litterarische faculteit, niet konden benoemen omdat de middelen ontbraken. En wij twijfelen niet of gij allen en zoovelen als er buiten u in dit goede land nog vrienden zijn der Vrije Universiteit, gij zult gaarne uwe bijdragen verhoogen, wanneer daardoor mannen, met uitnemende gaven door God toegerust, kunnen verkregen worden. Daarenboven verwachten wij, dat eindelijk de tijd zal aanbreken, waarop de Regeering des lands zal inzien dat het niet billijk is ons dubbel te laten betalen ook voor hooger onderwijs, en dat ons onder den eenen of anderen vorm ook voor dat onderwijs de financieele steun zal worden gegeven, waarop wij, naar wij meenen, aanspraak hebben. Deze zaak hangt echter ten nauwste samen met het derde punt, dat
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1901
Jaarboeken | 219 Pagina's