Een-en-twintigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 36
XXXVI
omtrent God en zijn voorstellingen omtrent de wereld niet los naast elkander laten staan. Hij rust niet, voordat de mogelijkheid van overeenstemming tusschen zijn religie en zijn wetenschap werkelijkheid is geworden. Het middel nu om hiertoe te geraken, kan niet in het verstandelijk denken zonder meer liggen. Dit denken toch heeft zijn grenzen. Aan de eene zijde de ervaring, aan de andere zijde, opstijgende van lagere tot hoogere gronden, eindelijk die hoogste of laatste gronden, die zelf niet weer uit andere als gevolgen kunnen afgeleid — en mitsdien onhewijsbaar zijn. Bij deze grenzen gekomen, houdt het verstandelijk denken op. Tusschen die twee beweegt het zich. Van die twee uitgaande begint het, — ja meer, door die beginselen wordt het beheerscht. Daarom is de uitdrukking van «vrijdenker" ook zoo dwaas. — Gij kunt in uw voorstellingen omtrent de wereld eenheid brengen door uw verstandelijk denken, en evenzoo eenheid in uw voorstellingen omtrent God, maar om ten slotte ook tusschen deze tweeërlei voorstellingen tot eenheid te komen, moet gij uw toevlucht nemen tot die hoogste beginselen, welke alle verstandelijk denken beheerschen en die men als redebeginselen aanduidt. Rede-beginselen, omdat zij liggen in dat hooger kenvermogen dan onsverstand, in onzen denkgeest, onze rede. Die rede werkt m onze ziel gelijk het licht in de zinnelijke wereld. Waar dat licht op ons werkt, zien wij de kleuren. Waar die rede in onze ziel werkt, zien wij debeginselen. Dat het geheel grooter is dan de deelen, dat dit ding dit en niet een ander ding is, vat gij onmiddellijk, zonder dat ik het u bewijs. Het zijn voor u aan alle ervaring voorafgaande, onmiddellijk zekere beginselen. Wijl nu ons verstandelijk denken èn bij de ervaring èn bij de redebeginselen begint, doch God zelf niet onder de ervaring valt, blijft ons als eenig middel om tot de overeenstemming van religie en wetenschap te komen geen ander over, dan ons verstandelijk denken op deze twee gebieden te laten beheerschen door dezelfde hoogste beginselen, de beginselen van onze rede. Dit brengt mij tot mijn laatste vraag, hoe door ons. Gereformeerden,, dan dit middel moet toegepast? Over dit middel zelf zijn allen, die mét ons de overeenstemming willen, het eens. Ik sprak u straks bij de groepeering onzer tegenstanders, zonder haar te noemen, nog van een vierde groep. Ik noem die nu. Het zijn allen die met ons wel het middel goedkeui-en, maar hun goedkeuring meenen te moeten onthouden aan de wijze waarop wij het toepassen. Staande voor ons portret, wekt juist die toepassing in meerdere of mindere mate hun onlust, hun antipathie. Het sterkst is dit bij de modernen, en wel bij die onder hen, welke,, door de mystieken uit hun kring, min vriendelijk als de intellectualisten worden aangeduid. Maar ook onder de belijders van den Christus, zij het ook in mindere mate, zijn er, aan wie onze wijze van toepassing mishaagt. Laat ons ook zien, wat van het beweren dezer tegenstanders aan is. Volgens de modernen passen wij onze rede verkeerd toe. Overeenstemming tusschen religie en wetenschap zoeken- ook zij„,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1901
Jaarboeken | 219 Pagina's