Een-en-twintigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 28
XXVIII
opzichten minder bitter zijn geweest, hij was niet minder beslist; de smaad, ook van »vrienden", bleef ons evenmin vreemd; maar toch, er is opnieuw reden tot zeer ootmoèdigen dank. Thans, nu de Vereeniging twintig jaar bestaat, ziet zij door Gods genade het zaad, onder tranen vaak gezaaid, ontkiemen en vruchten voortbrengen. Door heel ons vaderland vindt men de mannen, die aan de Hoogeschool der Vereeniging hebben gestudeerd, en die in het volle, rijke leven de beginselen indragen, verdedigen en toepassen, wier heiligheid hun aan de Vrije Universiteit lief werd. In steeds breeder kring werkten die beginselen door; steeds grooter wordt het aantal hunner bekwame verdedigers met woord en pen, en wie ook met en in onze jaarvergaderingen meeleeft, hij smaakt en ziet ook in dit opzicht, dat de Heere goed is, en welgelakzalig de man die op Hem vertrouwt. Zelfs dat we ditmaal in Haarlem de plek voor onze jaarvergadering kozen, is in dit opzicht niet zonder beteekenis. Haarlem, de provinciale hoofdstad van het zoo door en door moderne Noord-Holland. Haarlem, dat wel bekend is om allerlei schoons, dat de natuur in overvloedige weelde kwistig daar rondstrooit; dat wel een wijdvermaarden historischen naam bezit; dat op de erve der kunst als op die der wetenschap met eere wordt genoemd; dat Haarlem is niet bekend door zijn krachtig, frisch geestelijk leven. Onze Calvinisten vormen er slechts een zeer kleine schare; niet vele rijken, niet vele edelen hebben zij in den strijd te brengen; en toch — aan den maaltijd wees Ds. Van Schelven er te recht op — ook in Haarlem — zij het een schoone profetie voor geheel Noord-Holland! — winnen we aan kracht. Dat was duidelijk reeds voor hen die zich opmaakten om de URE DES GEBEDS bij te wonen, die aan den avond van den 27sten Juni werd gehouden in de Noorderkerk. Het nette kerkgebouw had zeker beter gevuld kunnen zijn ; maar toch, voor Haarlem had men alle reden van tevredenheid. Er waren nog maar weinige menschen uit de andere plaatsen van ons land; alleen de Friezen waren op hun post, en enkele Amsterdammers. Maar overigens waren het onze Haarlemsche vrienden, die nederzaten om te luisteren naar het schoone woord, dat Ds. Oranje tot de schare richtte. Ds. C. Oranje, predikant te 's-Gravenhage, ook een kweekeling van de Vrije Universiteit, ging de schare, nadat zij de verzen 2 en 4 van Psalm 25 gezongen had, voor in gebed, en sprak naar aanleiding van 2 Kon. 4 : 38—41. Daarin wordt verhaald, dat Elisa, de man Gods, de profetenschool te Gilgal bezoekt, terwijl er honger is in het land, en een der profetenzonen wilde kolokwinten heeft verzameld tot spijze voor zijn medegenooten. Deze spijze is vergiftigd, en nu wordt op last van Elisa meel in die vergiftigde spijze gebracht, waardoor alle kwaad weggenomen en de spijze bruikbaar wordt. De spreker begon met een duidelijk denkbeeld van het leven der profetenzonen te geven, en zette het doel en de beteekenis van Israels profetenscholen uiteen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1901
Jaarboeken | 219 Pagina's