Een-en-twintigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 37
XXXVII
smaar dan zoo, dat de religie in overeenstemming wordt gebracht met «de wetenschap; de wetenschap zooals het modernisme bij zijn optreden •die vond, met name op het gebied der natuurkunde. In de tweede helft dezer eeuw toch was zij juist in haar ontdekkingen, die zij te danken had aan het weer ernst maken met de waarneming, tot zulke schitterende resultaten gekomen. Sommigen harer beoefenaren verlieten echter den voor hen meer veiligen bodem der ervaring, en maakten hypothesen, waardoor zij, als door rede-beginselen, hun verstandelijk denken lieten beheerschen. Tot zulke hypothesen reken ik het materialisme dat den geest loochent; het monisme dat stof en geest voor twee zijden van het ééne absolute houdt; de evolutie-theorie of de ontwikkelings-hypothese. Het modernisme heeft toen en later ia sommige dezer theorieën, met name in de twee laatste, zijn verstandelijk denken ook op het gebied der religie laten beheerschen. Wat daarbij van het Christendom is geworden, weten velen uwer, die jarenlang eene moderne prediking in hun omgeving moesten dulden, zich maar al te goed te herinneren. Maar ook naar wat in onze dagen verluidde omtrent de overeenstemming tusschen religie en wetenschap bij de modernen, gaaii booze geruchten. Op hun laatste vergadering, te Amsterdam, moet Dr. L. Knappert, uit Assen, sprekend over de beteekenis van de bewondering voor het geloof der Boeren, gezegd hebben: sGeloof, naar zijn wezen, is niet het voor waar houden van zekere voorstellingen, maar een zich in vertrouwen overgeven aan God en de goddelijke dingen." Het schijnt ons toe, dat hier de waarheid in de religie er niet meer op aankomt, waarmee dan zelfs de mogelijkheid der overeenstemming tusschen haar «n de wetenschap zou zijn ontkend. En des te waarschijnlijker wordt ons dit, omdat de voorzitter, Dr. I. Molenaar, reeds in zijn openingsrede moet geklaagd hebben over de onverschilligheid van vele jongeren voor theologische studiën en daarvan als een der oorzaken genoemd hebben ))veler mystiek, waarbij het godsdienstig denken vervloeit in nevelig gevoel". ^Om te weten te komen, hoe men een middel moet gebruiken, is het zeker niet ondienstig eens te letten op hoe anderen het doen. Ziet men dan, dat hun wijze van doen niet tot het gewenschte doel voert, dan zal men het op die wijze zeker niet zelf beproeven. Onze rede hier toe te passen gelijk de modernen komt ons minstens bedenkelijk voor. Zeker zijn wij met hen overtuigd, dat de menschelijke rede gelijk die nu is en werkt, arm van inhoud is. Dat de onder menschen algemeen geldende waarheden te beperken zijn tot de logica, de wiskunde en de algemeenste stellingen der natuurwetenschap. l3at de rede gelijk zij nu is, ons denken wel heenwijst naar een ziel, een wereld, een God, maar ons denken daaromtrent geen inhoud geeft. Een treffend voorbeeld daarvan is, dat in de 17e eeuw en gedeeltelijk de 18e drie stelsels opkwamen, verbonden aan de namen van Descartes, Spinoza en Leibnitz, alle drie optredend met de pretensie van uit rede-beginselen de wereld te verklaren en alle drie elkander tegensprekend. Dat de rede ons dus zou doen vernemen »eeuwige waarheden", bij haar licht doen aanschouwen de waarheid, mag niet dan onder groote beperking worden aangenomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1901
Jaarboeken | 219 Pagina's