Drie-en-twintigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 38
XXXVIII
onderwijs op den grondslag van Gods W o o r d ten zegen moge zijn, opdat wie op het terrein der wetenschap zijn God w i l kennen en dienen, op geenerlei wijze daarin belemmerd worde. Moge het den Minister gegeven worden het geheele onderwijs, Hooger, Middelbaar en Lager, organisch te regelen naar de beginselen, zoo schoon vaak door hem ontvouwd; dat de beginselen van Gods gemeene gratie i n zulk een hooggewichtig deel van ons nationale leven tot heerschappij mogen komen, tot heil van ons volk en tot eere Gods. (Toejuiching.) De Heilige Schrift doet zien, dat met het lied des lofs de klaagtoon uit de diepte, de bede om hulp gepaard gaat, en ook i n onze V e r e e n i g i n g w i l l e n we danken voor het goede dat we ontvingen, doch mede acht geven op wat ons ontbreekt. E n dat is niet w e i n i g . Hoeveel sterker zouden we staan, zoo alle Gereformeerde belijders é é n waren i n de erkenning van hetgeen uit h u n belijdenis volgt ten opzichte van de wetenschap en hare beoefening! N a a r eenheid dient gejaagd, gedachtig aan Jezus' w o o r d : „ H e i l i g e Vader, bewaar ze i n U w e n N a a m , die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij é é n zijn gelijk als W i j , opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs G i j , Vader, i n Mij en Ik i n U ; dat ook zij i n Ons é é n zijn." Zijn deze woorden voor ons meer dan k l a n k e n ? V e r staan w i j , w a t dit é é n zijn beteekent? W a t i . ' absoluut é é n ? In de zienlijke dingen is zoo iets niet aan te wijzen; de stoffelijke wereld toont u het vele aan alle zijden, maar het é é n e niet. Dat vinden we ook niet i n ons zei ven, noch stoffelijk noch geestelijk. H e t absoluut é é n e bestaat alleen i n onze gedachte, doch niet als een vinding van onzen geest, maar als een noodzakelijke gedachte, door G o d i n onzen geest gegeven. Zonder eenheid is er voor ons denken geen veelheid, maar ook zonder veelheid geene eenheid. H e t één-zijn, de eenheid der dingen en van onszelf, bestaat daarin, dat het vele door é é n e gedachte, é é n e idee verbonden is, é é n wezen u i t m a a k t ; i n het wezen eener zaak ligt haar eenheid. U i t een groot gebouw, met al zijn onderdeelen, spreekt u de eenheid toe, als het den bouwmeester gelukt is alles uit é é n e gedachte te doen opkomen en alles zoo te plaatsen en met elkander i n verband te brengen, dat het op zijne plaats en op zijne wijze medewerkt om die é é n e gedachte te doen uitkomen. Die eenheid van gedachte, van idee is het, waardoor een atoom en waardoor het heelal é é n is, en alles wat daartusschen ligt, wat wij é é n noemen, i n deze wereld der zienlijke dingen. Dat is de eenheid i n ons eigen w e z e n : we weten, dat alle onze gewaarwordingen en voorstellingen de ónze z i j n ; ons eigen wezen de band is waardoor ze saambangen; we zijn ons bewust, dat ons ik van het verleden, ons ik van het heden en ons ik van de toekomst, als voorstellingen van ons bewustzijn, hunne eenheid hebben i n het één-zijn van ons subjectieve wezen. Maar a l wat é é n is in de stoffelijke en i n de geestelijke wereld, dankt die eenheid aan het é é n e Goddelijke W e z e n , uit W i e n , door W i e n en tot W i e n alle dingen zijn. In dat Goddelijk W e z e n is te gelijk de eenheid en de veelheid; drie personen i n é é n wezen. Christus bad .,opdat zij allen é é n zijn"; de eenheid bestaat dus van nature niet. De zonde, de oorzaak van alle tweespalt, heeft uiteen-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Jaarboeken | 232 Pagina's