Dertigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 34
XXXYI
recht •was gekomen. Dit' l a g zeker niet daöi-anan, dat de beteekenis van Calvijn op h e t gebied der staa-tkundige ontwikkeling zoo gering was, w a n t naar liet oiordeel van gezag'hebbende schrijvers heeft Cailvijn als stjaatsman wellicht nog grooter invloed geoefend dan als theoloog. Maar wel schuilt de moeilijkheid daarin, d a t de • meeningen zoover uitleenloopen over de vraag, w a t het eigenaardige kenmerk van Calvijn's staatkundige denkbeelden is geweest. Eenerzijds beschouwt men Calvijn •— h e t mag dan als lof of als blaam bedoeld, zijn — als Ie fondateur des libertés mpdernes, a*ls den gTondvester van de vrijheid der volkeren, en beweert men zelfs, d a t Calvijn de declaration d e s dr.oits de l'homme, de magna charta der Pransch'e Revolutie, geïnspireerd heeft; a a n de andere zijde houdt men juist staande, d a t het Calvinisme de tegenpool is van de Fransche Revolutie, en teekent Groen van Prinsterer het onderscheid tusschen beide aldus, d a t de Revolutie uitging van de declaratie van de rechten van den mensch, Calvijn van de verklaoring van de souvereiniteit Gods. Spreker oordeelt, d a t in deze uitspraak van Groen metterdaad de grondgedachte ligt van Calvijn's staatkundig stelsel. Hij komt op, niet voor de rechten van den inensch in de eerste 'plaats,, m a a r voor de absolute souvereiniteit van God Almachtig ook oi') het gebied van den staat. Ten onrechte heeft men dat wel eens Calvijn's t h e o c r a t i e genoemd; theocratie wil zeggen, d a t God Zelf rechtstreeks over een volk regeert als Koning, aan d a t volk Zelf Zijn wetten geeft, zooials bij Israël. Dit nu heeft Calvijn zeker niet gewild. Zelfs verwerpt Calvijn T>eslist het gevoelen van hen, die den Bijbel als een wetboek voor alle staten zouden willen invoeren en Israels wetgeving als vorm en model voor onze wetgeving zouden willen stellen. Calvijn s;egt met na.druk in zijn Institutie, da,t de wetten van een land door de Overheid moeten worden gemaakt; naar recht en billijkheid en met de omstandigheden rekening moieten houden. Ook' aairzelt Calvijn geen oogenblik, telkens een beroep te doen op de den mensch aangeboren rechtsbeseffen, en haalt hij' de uit-, spraken der heidens che philosofen met insténüning a&n. Maar Gods 'Woord s t a a t voor hem 't hoogst ajis openbaring van Gods wil, en de beginselen van d a t 'Woord moeten jaan elke goede' wetgeving ten grondslaig liggen. Uit die grondgedachte van de souvereiniteit Gods leidt Calvijn nu in de eerste plaats h e t g e z a g d e r O v e, r h e i d af. Oorspronkelijk naar de scheppingsordinantie zou de mensch v r i j , heer en geen dienstknecht geweest zijn. Maar door den val in zonde ontzonk de mensch a a n zijn hooge bestemming en werd
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Jaarboeken | 258 Pagina's