Een-en-dertigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 45
XLIII
samenhang aan het licht gebracht hebben, die er historisch tusschen de verschillende volkeren der Oudheid heeft bestaan, ea mogelijk gemaakt, de geschiedenis dier volkeren steeds vroeger te beginnen; aan den anderen kant in het bijzonder het oog hebben ontsloten voor het private leven der ouden, en inzonderheid voor d a t d e r k 1 e i n e l u i d e n . Met een paar voorbeelden m a a k t spreker dit duidelijk, en doet daarbij uitkomen, d a t juist dit volksleven ons ook in het Nieuwe Testament tegentreedt. Thans overgaande tot het bewijs zijner stellingen, en daarbij met de laatste beginnende, wijst spreker er allereerst op, d a t <]eze stelling reeds op en in zichzelf aannemelijk is. Immers, wel is de waardij der H. Schrift voor den G-ereformeerde een absolute, geldt hem die Schrift voor alle tijden en voor alle eeuwen; maar dat neemt niet weg, dat zij historisch is geworden; aizoo, om haar juist te begrijpen, m.efc dat historisch ontstaan rekening dient gehouden, en derhalve bestudeering van de gegeschieuenis, de cultuur, de taal, de zeden der Oudheid voor den wetenschappelijken onderzoeker der Schrift een onafwijsbare eisch is. Dit geldt reeds voor het Oude Testament: ofschoon hier do twee sferen der gemeene gratie en particuliere genade nog vrij wel buiten elkaar liggen, is toch reeds menig duister punt. der gewijde geschieidenis do.or de nieuwste .ontdekkingen opgehelderd. Inzonderheid echter is het van toepassing op het Nieuwe Testament, dat immers naar zijn inhoiud Joiodsch-Christelijk, wat zijn taal aangaat Hellenistisch i s ; maar zóó, dat door dien Joodsch-Ohristelijken inhoud toch draden loopen van de Plellenistische cultuur rondom, en zijn Hellenistische t a a l doorweven is met Oostersche elem.etiten van dictie. Aan enkele teksten m a a k t spreker vervolgens duidelijk, hoe door de moderne philolqgische ontdekkingen nieuw licht valt op vele uitspraken der Schrift. "Wat nu nog de andere stelling aangaat — eene stelling, die n i e t , gelijk de eerste, door .onze principieele tegenstanders wordt onderschreven — wijst spreker er allereerst op, dat het noodig is, het standpunt dat wij, Gereformeerden, innemen ten opzichte van het probleem S c h r i f t -— O u d h e i d , wèl af te bakenen. Drieërlei is ten deze mogelijk, al naar Imen een van beide factoren in het probleem wegcijfert, of wel beide behoudt; van een o p l o s s i n g kan alleen sprake ziJn, wanneer h e t laatste geschiedt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Jaarboeken | 259 Pagina's