Een-en-dertigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 33
XXXI
waart, wij kunnen het niet; dat vermag alleen de Heere. Het is onze bede, dat Hij d a t doe! Hij geve u in den vereenzaamden toestand, waarin Zijn bestel u bracht, doordien allen die n a a s t u stonden in huis en familiekring van u zijn weggenomen, toch nog een aangenaanen levensavond door de herinnering aan wat gij mocht verrichten, en door de wetenschap, dat -zoovelen, ook buiten den kring uwer kinderen, u liefhebben. Onthoud ook ons verder niet, zoolang als de Heere u d a t nog zal vergunnen, uw hulp en bijstand in alle omstandigheden, waarin dat noodig zal zijn en mogelijk! (Hartelijke toejuiching.) De vergadering zingt: Dat 's Heeren zegen op u daal', enz. En nu, zoo ging de spreker voort, nog een kort woord slechts, opdat ik door mijn spreken geen oorzaak zijn moge, d a t ons program voor dezen morgen niet zoude worden afgewerkt. Na een blik op wat achter ligt en op wat in deze ure do-or ons doorleefd wordt, richten wij nog het oog naar de toekomst, op de roeping die ons wacht. Men heeft de opmerking gemaakt op politiek terrein, dat er is te constateteren een verschuiving naar links. En dat is voorwaar niet alleen op dat gebied. Wat daar voorvalt, is slechts symptoom van wat in generalen zin geldt van heel het leven om ons heen:. Er is metterdaad opschuiving naar links. Er is een a l sterker loslating van wat in het verleden nog bond aan de openbaring Grods en aan de inwerking van den Christus Giods in ons volksleven. Men pleegt dat wel eens te loven als bewijs van meer eerlijkheid en oprechtheid. Tot op zekere hoogte kunnen wij d a t beamen. En toch doen wij dat niet, zonder daarnevens te hebben een besef van diepe ontroiering. Het is imtoaers niet alles afschuwelijke veinzerij, wannöer men nog niet zoo luide en openlijk lucht durft geven a a n de vijandschap tegen God, welke van nature in het h a r t van het memscheü.kind schuilt. Veeleer erkennen wij in het beslag, waardoor die gesteldheid in haar uitingen wordt ingebonden, de werking der Goddelijke almacht, welke zich doet gevoelen in de conscientiën der menschen. Het is er mede als met de schaa,mte op zedelijk gebied. Wij waardeeren h e t nog, als er aarzeling is cm schuld t e bekennerL en als de blos nog op het gelaat zich vertoont. Geen teeken is het van vooruitgang, wanneer men daarvan niet meer weet noch weten wil. Dan klagen wij over iets dat verloren is gegaan, en waarvan het" verlies zoogoed als onherstelbaar pleegt te zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Jaarboeken | 259 Pagina's