Vier-en-dertigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 27
XXXI
hij h e t schiereiland Sinaï in zijn geograpihisc)he eigenaatdi'giheid en zijn historische beteekenis. Meer dan 1000 jaar voordat Mozes hier de schare der Isitaëlieten aaxivoerde, hadden de oude Bgyptenaren er hunne mijnwerken aangelegd en hun goden vereerd. Dit laatste deden zij vooral in den grooten tempel van Serabit-el-'Khedem, 'die door Prof. Flinders Petrie is onderzocht. Te midden van vele Egyptische oudheden werd hier een opschrift aangetroffen, d a t de ontdekkers m e t hunne kennis van h e t Egyptische schrift niet konden lezen. Het is aangebracht op verschillende voorwerpen, waaronder eene baste van de Egj'ptische godin Hathor. Op h e t groote belang van deze. ontdekkingen wijst spreker in een drietal opmerkingen. Ten eerste vinden we hier de oudste t o t nog' toe befcendiei vormen van ons eigen letterschrift. Greleerden, die h e t opschrift, bestudeerden, hebben er eien ouder type van h e t Phoenicische letterschrift in gevonden. En h e t is reeds lang bekend, dat, onze Latijnsche letters evenals de Grieksche van Phoenicischen oorsprong zijn. Ten tweede is d i t opschrift zeer belangrijk Voor de beantwoording der vraag, welk schrift Mozes en zijn mannen hebben gebruikt. Volgens Prof. Flinders Petrie s t a m t h e t opschrift u i t de!n tijd van den Egyptischen heerscher Thutmes III, die door. spreker wordt gehouden voor een tijdgenoot van Mozes. Daaïnu de taal en h e t schrift in wezen overeenkomen miet die, welke in later eeuwen door Israël en zijne naburen werden gebruikt, is er ook alle reden om aap te nemen, d a t Mozes zich van deze t a a l en d i t schrift zal hebben bediend bij zijne werkzaamheid als wetgever. Ten derde s t r e k t d i t opschrift t o t illustratie eener uitspraak van den profeet Bzechiël, waarin hij aan Israël en J u d a verwijt, d a t zij in hare jeugd hebben gehoereerd in Egypte, m. a. w, d a t ze toen de Egyptische afgoden hadden gediend. Nu kunnen we wel is waar niet met zekerheid zeggen, d a t h e t opschrift (dat aan de godin Hathor is gewijd) van Israëlieten afkomstig is. Misschien komt h e t van een ander volk, d a t nagenoeg- dezelfde taal sprak. Maar ook in d i t laatste gevlal toont helt ons, hoe gemakkelijk de Israëlieten konden komen t o t datgen©, waarvaa Ezechiël hen beschuldigt. De voorzitter d a n k t den hoogleeraar voor diens belangrijke mededeelingen en doet alsmi voorlezing van den uitsla.g der,-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1914
Jaarboeken | 254 Pagina's