Zeven-en-dertigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 45
XUII
En dat levensbeginsel is in het wetenschappelijk organisoie onzer universiteit de Theologie. De Theologie, die als vaste overtuiging' zoot vooi' ieder hairer docenten afzonderlijk ais voor allen t e zaam, omtrent de waarheid der kennis van wat Goid in Zijn Woord omtrent Zichïiolf en omtrent de wereld en het leven in betrekking t o t Heim heeft geopenbaard, — haar h a r t is. De Theologie, die, als de wetenschap der ons geopenbaarde kennisse Gods, voor zoover zij tiit God, als het eerste en laatste Beginisel van het zijn en h e t zoozijn, het worden en gebeuren in wereld en leven, voor liet waarnemend en denkend bewustzijn afleidt en doet kenpien óók die beginselen, welke uit dat eerste en laatste volgen, •^—; -haar h o o f d is. Heeft, zegt spreker, bij den Duitschen reclitsphilosoof Ahreiis de uitdrukking ,,theologiseere'nde Juristen" ook al een ietvv^at hoonenden zin, aan onze Universiteit heeft ze niet daln ieen vereereuden. Onze Universiteit toch eischt, krachtens haar Theologisch karakter, als docenten niet alleen theologiseea-ende Juristen, m&ar niet minder ook tlieologiseerende Phïlologen en tlieologiseerende Genees- en Natuurkundigen. Zoo alleen kan ook, door uitruiliug van resultaten tusschen de docenten der verschillende wetenscliappe'n, en daardoor tusschen die wetenschappen zelf, bestaan een elkaar dienen, als tusschen de leden van een mensohelijk lichaaim. Zeker, alle wetenschap, ook die der Theologie, wier voorwerp is èn de Schrift èn wat God, door de Schrift, gewrocht heeft in de Kerk als het mystieke licliaatm van Christus, voor xoorver d a t in deze wereld en in dit leven is, •— alle wetenschaip is' geordende kennis, door verstandelijk nadenken over het zintuiglijk of ook innerlijk waargenonieue verkregene. Zal er echter een v i n c u l u m s o i e n t i a r n m, een band der wetcnschappen, een orgiuiiscli verband bestaan tusschen de vcrsohilIcnde wetenschappen, die in een universiteit gedoceerd worden, da.n moet er ook tusschen de docenten in die verschillende wetenschappen, èn naar hoofd èn n aar hart eenheid izijn op het stuk van wat zoo l a c l i t e r de stoffelijke wereld van het natuurgebeuren, als a c h t e r de geestelijke wereld van hetmenschelijk zieisgebeuren ligt. Eenheid omtrent die eerste of laatste beginselen, waarvan — en het is da onvergankelijke verdienste van Kant, dit te hebben geleerd, — de kennis boven (ons menschelijk kenvermogen ligt, tenzij, wat Kant in zijn vrijzinnigheid vergat, dat kenvermogen, verlicht door Gods Geest, z? ziet in Gods Woord. In ée-n ouden waan dat dit anders ware viel, na Kant, het Eu.no-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1917
Jaarboeken | 284 Pagina's