Jaarboek 1931 - pagina 34
32 hun wetenschappelijken aribeid bevestigd door een eervolle practijk. Zij waren — elk op zijn gebied — lichtdragers, mannen die het licht der Christelij'ke vretenschap voor ons uit droegen en die wij konden volgen. Zij werden thans door de Universiteit geëerd, maar door de benoeming van zulke mannen tot eeredoctor, eert ook de Universiteit zichzelve. God moge deze doctoren nog lang sparen, ze betwamende voor hun arbeid, dan wel hun gevende Zijne rust na een leven vol rijk gezegend werk in Zijnen dienst. Dr. Kuyper heeft in 1912, in de rede tot inleiding van de in Haarlem te houden jaarvergadering, de stichting van de Universiteit een geloofsstuk genoemd. 'Hij herinnerde «r aan, dat in 1880 in de Universiteitsstiohting meer nog dan de Galvinisiisehe Universiteitsidee, de triumf van de vrijmakLng van ons Hooger Onderwijs op den voorgrond trad. Het liberalisme had dat onderwijs igeheel in staatsboeien geslagen. De Overheid stelde de hoogleeraren aan; die hoogleeraren hadden het monopolie; haar mannen werkten om den volksgeest in naam der wetenschap te vervreemden van den geest der vaderen. Die wetenschap steeg tot groote hoogte. „In het rijk der natuur een macht, een kennis, een inzicht, die doen duizelen. Geen diepte in de oceaan en geen luchtgolf in den hooge meer onbereikbaar. Steeds meer wordt elke afstand teruggedrongen en onze blik uitgeworpen in het maatloos ruim. De mensch onzer eeuw ging zich voelen, alsof niets hem meer weerstond. Hij ziet alles, hij weet alles, hij kan alles. Alleen in 's mensohen hart dorheid en doodschheid. Geen Vriend van Boven, die er woning maakt; geen dakvenster, waardoor het licht van Hooger invalt, geen bloem om te geuren, geen leeuwerik, die zijn morgenzang uitzingt, geen harp om te loven den Heere," En daartegen is toen het menschelijk leven in verzet gekomen en uit dat verzet in het leven ontlook toen weer wetenschap in heiliger zin. Uit het leven kwam weder de dorst naar waarheid, naar waarachtigWaarlijk een geloofsdaad. Want men kno zich niet verhelen, dat klein beid, naar werkelijkheid, naar weizenlijkheid. En het is die dorst, die uit het leven opkwam, die dreef tot de stichting van een Hoogeschool, waar niet de mensch met zijn kennis en geleerdheid in het middelpunt zou staan, maar waar bij' alle wetenschapsbeoefening de vreeze des Heeren het beginsel der wijsheid zou zijn. Waarlijik een geloofsdaad. Want men kon zich niet verhelen, dat klein de kracht was van hen, die deze Hoogeschool in het leven riepen. Klein ia getal; klein in geldmiddelen; klein ook in het bezit van mannen, die op het terrein der wetenschap zelfstandig konden bouwen naar eigen beginsel. En daartegenover groot de kracht en de macht, het kennen en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Jaarboeken | 153 Pagina's