Jaarboek 1931 - pagina 41
39 eisch aan onze natuurwetenschappelijke principes, aan de andere zijdebrengen wij er een hoogere harmonie in. Immers allereerst de realiteit en kenbaarheid der dingen wordt nu van een willekeurige menscheiijke aanname teruggevoerd tot goddelijke openbaring. Vervolgens wordt elk' conflict tussohen r,dligie en natuurwetenschap van tevoren reeds gebrandmerkt als voortspruitende uit onverdiende begrip van de openbaring Gods in Woord en natuur. Hiermede zijn tevens de bezwaren van de tweede groep van personen ondervangen. Christelijke Natuurwetensohap beoogt de systematisch© kennis te verzamelen omtrent de wetten door God aan Zijn schepping opgelegd en zal moeten strekken tot verheerlijkinig van Zijn grooten Naam.
§ 7. Verslag Rede Prof. Dr. G. J. Sizoo. Be t e e k e n i s en p e r s p e c t i e v e n der W i s - en N a t u u r k u n d i g e F a c u l t e i t . Spr. beziet in de eerste plaats de oprichting der Wis- en Natuurkundige faculteit aan de Vrije Universiteit als een daad van het Geref. \'olk, waardoor het bewezen heeft, dat het niet alleen de geestelijke erfenis van de stichters der Univensiteit heeft aanvaard, maar tevens, dat het voor de verantwoordelijkheid die er mede verbonden is, ten volle wil instaan. Boor deze daad is in eigen krin.g de taak van het calvinistisöh denken ten opzichte der natuurwetensohap in een zuiverder licht geplaatst, dan tot nu toe vaak het geval was. Zij kan ler ook toe bijdragen, dat onder de groepen van andeTsdenkenden een juistere beoordeeling van de houding van 'het orthodoxe Christendom ten opzichte der natuurwetenschap doordringt. In de tweede plaats handelt spr. over de practische uitwerking, die van deze daad kan worden verwacht. De wetenschappelijke arbeid eener wis- en natuurkundige faculteit aan een Gereformeerde universiteit zal voor een zeer groot deel niet kunnen verschillen van 'die aan een openbare universiteit. Het objectieve karakter der natuurwetensohap, in het bijzonder der exacte, maakt haar beoefening voor een groot deel onafhankelijk van de wereldbeschouwing van den onderzoeker. Toch zal deze haar invloed doen gelden in de spheer, waarin het onderzoek wordt verricht. Niet in de spheer van het materialisme, dat in de stof het eind van alle dingen ziet, niet in de spheer van het agnosticisme, dat het zoeken naar het ware wezen der dingen heeft opgegeven, maar in de spheer der aan-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Jaarboeken | 153 Pagina's