Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Jaarboek 1956-1957 - pagina 122

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Jaarboek 1956-1957 - pagina 122

2 minuten leestijd

volkomen te overwinnen en dat zelfs bij Bergbohm reminiscenties ervan zijn aan te wijzen. Omstreeks de eeuwwisseling kan men spreken van een herleving van de natuurrechtsgedachte, waarbij echter de voorstanders terdege rekening gaan houden met de kritiek der bestrijders. Inderdaad was ook in de 19e eeuw deze gedachte niet uitgestorven, maar ze oefende toen, althans sinds de tweede helft dezer eeuw geen invloed van betekenis meer. D e stoot tot een algemene herleving is uitgegaan van de R.K. moraalfilosoof Victor Cathrein en van de neo-kantiaanse rechtsfilosofie van Rudolph Stammler en de eerste wereldoorlog bevorderde in hoge mate de belangstelling voor het natuurrecht. De schrijver werpt vervolgens de vraag op, wat men onder natuurrecht dient te verstaan. Hij wijst de ruime door Bergbohm voorgestane opvating af, volgens welke daaronder is te rangschikken elke conceptie, die in een bepaalde vorm rechtsideeën aanvaardt, die boven de positieve door de staatswetgever gevormde rechtsnormen uitgaan, en sluit zich aan bij de traditionele opvatting. Zijn gronden hiervoor zijn dat anders het begrip te algemeen en dus onomlijnd zou worden en dat de eeuwenlange traditie van het natuurrecht aan dat begrip een bepaalde inhoud heeft gegeven, die men niet willekeurig mag wijzigen. Zo geeft hij de volgende definitie, die tegelijk een verantwoording geeft van de door hem gegeven begrenzing aan zijn onderzoek: Natuurrecht is het geheel van boven-positieve (niet door menselijke rechtsvormerswil tot stand gebrachte) boven-tijdelijke, onveranderlijke, universele rechtsnormen, die door de menselijke rede uit het wezen of de natuur van de mens worden gededuceerd en gelding bezitten onafhankelijk van tijd en plaats. Hij wijst er dan op, hoe in de nieuwere natuurrechtstheorieën een duidelijk streven valt waar te nemen, achter de humanistische natuurrechtsdoctrines van de 17e en 18e eeuw terug te gaan tot de primaire beginselen van het ius naturale, zoals deze met name door Thomas van Aquino zijn geformuleerd. Een uitgewerkt systeem van natuurrechtsnormen, dat a.h.w. pasklaar was gemaakt om integraal in de staatswetgeving te worden overgenomen, wordt door niemand meer verdedigd. Als essentieel kenmerk van het thomistisch natuurrecht ziet 120

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

Jaarboeken | 164 Pagina's

Jaarboek 1956-1957 - pagina 122

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

Jaarboeken | 164 Pagina's