Jaarboek 1959-1960 - pagina 97
overdrachtsrede
loochenbaar. Een van de belangrijkste elementen in de discussie over de novitiaatstijd is wel de vraag geworden, of nog wel iets van het spelkarakter bewaard bleef, een vraag die onafhankelijk van elkaar b.v. door Obbink, Diepenhorst, Bottema e.a. met nadruk werd gesteld. Obbink, die de novitiaatstijd niet bestrijdt, merkt op, dat dit spelkarakter meebrengt dat deze tijd voor de nieuw aankomende studenten niet altijd even aangenaam en gemakkeHjk is, maar hem toch noch lichamelijk of geestelijk letsel mag toebrengen. We komen zo weer in de omgeving van artikel 9, dat mijns inziens de kern vormt zowel van het nemen van tuchtmaatregelen als van de daarop volgende besprekingen, die ten nauwste samenhangen met de evidentie van het begrip „letsel". Voor mijn besef ligt in deze evidentie het perspectief van de vele gehouden besprekingen van dit jaar, ook voor de toekomst. Natuurlijk is dit het probleem, hoe deze aanvaarde evidentie te realiseren is in een massaal geheel, waar controle een van de moeilijkste problemen vormt. Alleen vanuit deze evidentie is het mogelijk in gemeenschappelijke verantwoordelijkheid zo te handelen, dat men bewust en in nauwlettend toezien op elkaar de ruimte schept, waarin het nog mogelijk is verantwoordelijkheid te dragen. Ik heb persoonUjk in meerdere besprekingen met de studenten gezegd, dat wanneer het niet mogeUjk zou zijn, deze maatregelen te nemen en het niet meer mogelijk zou zijn in strenge zelftucht en toezien op anderen zonder aanzien des persoons te handelen en te leven, de novitiaatstijd in haar huidige vorm dan geoordeeld zou zijn. Verantwoordelijkheid voor letsel is nu eenmaal zulk een oernotie van het menselijk leven, dat alleen oppervlakkigheid haar kan bagatelliseren. Het was in het afgelopen jaar duidelijk, dat hoe vriendschappelijk de besprekingen ook verliepen, de zaak van de tuchtmaatregelen uiteraard niet buiten een hevig affect van de studenten waren omgegaan. Dat is volkomen te begrijpen en het was in de verschillende meningen, die hierover werden geuit, een vreugde, dat men bleek ten voUe te aanvaarden, dat de besluiten van de senaat niet voortkwamen uit een poging om de leiding te nemen in het studentencorps en dat niemand onder ons ook maar enige vreugde beleefd of gevoeld heeft over wat geschiedde. De eenstemmigheid van de aca-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1959
Jaarboeken | 158 Pagina's