Jaarboek 1959-1960 - pagina 96
vanzelf in de gemeenschap als de onze als vanzelf leidt en leiden moet tot openhartige bespreking en verantwoording. In deze telkens voortgezette bespreking kwam het tot een verzoek van het corps aan de rector tot een nu weer officieel contact met de academische senaat ter bespreking van het probleem van de novitiaatstijd 1958 en van de toekomst. De academische senaat verklaarde zich daartoe bereid en benoemde een commissie van de heren Grosheide Jr., Koksma, G. J. Sizoo, Verdam, Waterink, Wijngaarden en de rector magnificus. Op openhartige wijze is sindsdien gesproken over al de vragen die de novitiaatstijd aangingen. Omdat over de feiten vrijwel geen verschil van mening mogelijk kon zijn en deze door allen gelijkelijk werden betreurd, maar de interpretatie van de feiten en de tuchtmaatregelen in het geding kwamen en dat alles vooral met het oog op de toekomst, kwam het meer en meer tot de bespreking van de vraag of en in hoeverre het mogelijk was een novitiaatstijd te hebben, waarin naar menselijke mogelijkheid de excessen waren buitengesloten, omdat het nu eenmaal nergens in het leven mogelijk is, achteraf het exces te betreuren, zonder vanuit de ruimte, waarin het exces ontstond, ten voUe de verantwoordelijkheid te dragen. In de besprekingen werd het conflict meermalen in die richting gelocaliseerd, in welk verband ook de vermoeidheidsfactor als niet te verwaarlozen factor telkens ter sprake kwam. Ik bedoel deze localisering dus niet als een locaal probleem van onze universiteit. Iedereen weet, hoezeer de novitiaatstijd alom in den lande de aandacht trok. Ook aan andere universiteiten deden zich soortgelijke moeilijkheden voor en de novitiaatstijd kwam uitvoerig ter sprake op het rectorencollege, waar Prof. Dr. Obbink van de Universiteit van Utrecht refereerde over de groentijd, een later in „Universiteit en Hogeschool" opgenomen referaat. In ditzelfde nummer verscheen een eveneens boeiend referaat van Diepenhorst over dezelfde materie, waarin zulke diepingrijpende vragen worden gesteld, dat het wel onmogelijk is zich met een gracieuze verwijzing naar een generatieverschil zich te distantiëren van deze fundamentele kwestie, om voorts over te gaan tot de orde van de dag. Het verblijdt mij, dat in de vele besprekingen met de studenten deze simplistische verklaring nauwelijks een rol van betekenis heeft gespeeld. Daarvoor waren de betreurde feiten te on-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1959
Jaarboeken | 158 Pagina's