Jaarboek 1965 - pagina 191
leiding geeft, dan lijkt de conclusie wel gerechtvaardigd dat, ceteris paribus, ook in Nederland een dergelijk gevaar voorlopig niet dreigt. Wel zal waarschijnlijk het inkomen van academici relatief lager komen te liggen naarmate hun aantal groeit. Technisch en methodologisch zijn aan het opstellen van aanbod-prognoses veel minder problemen verbonden dan aan het maken van behoefteprognoses. Uit gegevens over de afgelopen jaren tracht men tendenties af te leiden welke men in de toekomst meent te mogen extrapoleren, o.a. met betrekking tot de aantallen geslaagden voor de eindexamens V H M O , de belangstelling van deze abituriënten voor verschillende studierichtingen, studierendement en studieduur, e. d. Indien men prognoses voor afzonderlijke universiteiten en hogescholen wil opstellen dient dit gepaard te gaan met een regionale analyse, wegens de regionale gebondenheid van de instellingen van wetenschappelijk onderwijs, met uitzondering onder meer van de Vrije Universiteit, wegens haar speciale karakter. Dergelijke analises dragen echter niet zo zeer het karakter van een ,,voorspelling" - evenmin als de behoefte-prognoses - , het gaat veel meer om het systematisch bestuderen van de consequenties van bepaalde hypothesen omtrent de toekomstige ontwikkeling, hypothesen die natuurlijk zo redelijk mogelijk gekozen zijn, maar waarvan toch niemand zal willen stellen dat zij met de feitelijke toekomstige ontwikkeling overeen zullen stemmen. Om de onzekerheid te adstrueren verdient het aanbeveling de berekeningen te baseren op verschillende alternatieve hypothesen, die dus ook tot verschillende uitkomsten zullen leiden. Bovendien moeten de gemaakte veronderstellingen voortdurend worden geconfronteerd met de werkelijke ontwikkeling. Het maken van wat extra berekeningen levert bij gebruikmaking van rekenautomaten geen problemen. Zoals zoveel prognoses hebben ook de vooruitberekeningen van de aantallen studenten steeds te lage uitkomsten opgeleverd. In 1959 werd voor 1970 een aantal van 65000 geraamd, de meest recente schatting komt al tot 80000, en ook dit cijfer zal nog wel verder moeten worden verhoogd, omdat de belangstelling van de VHMO-abituriënten voor de universitaire studie sneller toeneemt dan was voorzien. Op het ogenblik ligt het aantal rond de 60000, waarvan 7 % % ^^n 189
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1965
Jaarboeken | 198 Pagina's