Jaarboek 1967 - pagina 156
In Byzantium is men nog lang Callimachus blijven lezen. De epigrammen echter,die de Byzantijnen gecomponeerd hebben, vertonen geen speciale invloed van Alexandrijnse voorbeelden. Van belangstelling of invloed in het Middeleeuwse Westen is me niets bekend. Wel in de Renaissance. Direct toegegeven, een al te idyllisch geïnterpreteerde Theocritus staat op de voorgrond. Maar zowel de dichters al de philologen hebben meer gezien. Vooral doordat ook nu weer de personele unie tussen dichter en philoloog niet ongewoon was en doordat ook nu de dichters vaak theoretiseerden over hun dichterschap. Angelo Poliziano is een duidelijk voorbeeld. Jean Dorat bestudeert Callimachus, Ronsard volgt hem na, Scaliger en Casaubonus bewonderen hem. Goed, die navolging van Ronsard is maar oppervlakkig, en aan het poëtische inzicht van Scaliger, de princeps philologorum, moet men wel eens twijfelen. Maar het is toch een heel ding, als hij - in 1600! - een historisch verloop ziet van de Griekse litteratuur; hij noemt de Alexandrijnse periode de herfst en zegt - en dat is bijzonder de moeite waard - dat die herfst niet onderdoet voor de zomer. E n wanneer Daniel Heinsius de Alexandrijnen bewondert, moet men dat ook niet al te spoedig uitleggen als de ingenomenheid van een geleerde pruik met mythographische collecties. Heinsius is een geleerde pruik geweest, maar nog wel iets er bij. De beroemde mededeling ad valvas „Propter hesternam crapulam D. Heinsius hodie non leget, door de kater van gisteravond is prof. H. vandaag verhinderd college te geven", zal wel door studenten aangeplakt zijn, Heinsius had het echter zelf kunnen doen: zelfspot had hij bij de Alexandrijnen kunnen leren. En net als Catullus heeft hij de felheid van Callimachus' litteraire polemiek in het politieke getransponeerd in zijn Aanspraak aan de Spanjaerds met de regel, waarom menig dichter hem mag benijden al daar gij niet en sijt, daar is ons vaderland. Hugo de Groot zou genoemd moeten worden; zijn belangstelling voor de epigrammatick is bekend. Of hij speciale aandacht aan de Alexandrijnen heeft geschonken, weet ik niet; het vernuft van hun poëzie moet hem wel geboeid hebben. En zeker mag men dat verwachten bij een dichter als Constantijn Huygens. In de 17e en i8e eeuw blijft men de Alexandrijnse poëzie 154
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Jaarboeken | 172 Pagina's