Jaarboek 1967 - pagina 66
Ook hier vinden wij een mengeling van theorie en praktijk. Naast uitvoerige verhandelingen over de plaats der opvoedkunde in het systeem der wetenschappen (welk onderwerp vooral in de beginfase van zijn hoogleraarschap zijn aandacht h e e f t - uiteraard, gezien de heersende opvattingen over ,,dat gepedagoochel" in die tijd), geeft hij zeer concrete beschouwingen (haast: aanwijzingen) over de praktijk van de opvoedkunst. Toch is ook waar, dat alles voortspruit uit één grondmotief, één levensvisie: het kind is een kind van God aan ons geschonken, opdat wij het zouden onderwijzen in de vreze des Heren. In zijn wetenschappelijke arbeid valt uiteraard het accent op het theoretische. Hij toont zich daar een mens, die deductief redeneert vanuit zekere duidelijke premissen - premissen die verankerd liggen in het imposante bouwsel van de Calvinistische denkwereld (want Waterink is met hart en ziel Calvinist). De oorsprong van het opvoedingsverschijnsel, en zijn kern, is voor Waterink de opdracht Gods het door Hem geschonken kind op te voeden. Vandaar (ie) dat het normatieve het meest markante aspect van zijn stelsel is^ De opdracht luidt immers: het kind zó te begeleiden (met de nadruk op leiden) dat het de levensnorm leert kennen en zich van harte gaat onderwerpen aan de levenswet. Deze levenswet is het liefhebben van God en de naaste, waarin de mens eerst „waarlijk mens" wordt. Vandaar (2e) zijn felle bestrijding van de fenomenologische richting in de pedagogiek {jiiet in de psychologie) die het normatieve weliswaar niet ontkent, maar het niet vooropstelt. Die eventueel wel wil (moet) constateren, dat opvoeden zonder normen niet mogelijk is, maar die niet wil (kan!) constateren welke normen nu de juiste zijn. Een denkwijze die vanuit een bepaald geopenbaard mensbeeld redeneert, verdraagt zich nu eenmaal niet raet een methode die als uitgangspunt de verschijnselen zoals ze zich voordoen kiest. Aangezien hij, Waterink, wèl wist welke de juiste normen waren, schroomde hij niet deze te formuleren en centraal te stellen. Dit betekent echter niet, dat Waterink bij,,algemeen geldende" normen blijft staan en deze zonder meer in de concrete situatie wil laten inwerken - integendeel, onophoudelijk hamert hij er op, dat het juist de taak van de theoretische pedagogiek is de weg aan te geven, opdat de algemene norm in de concrete pedagogische situatie zijn pedagogische vorm moge aannemen. 64
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Jaarboeken | 172 Pagina's