Jaarboek 1967 - pagina 161
met een formule: de dageraad . . . kwam. Nu kiest Callimachus in plaats van het Homerische woord voor dageraad ,eoos, het zeer onbekende, misschien Cyprische anchauros. En dat ,,met rijp bedekt" voegt hij er aan toe, omdat in de verhalen, die Odysseus bij Eumaios ten beste geeft, twee keer de morgenrijp een rol speelt - men ziet: het is een kunst voor kenners. Hiermee zijn we al midden in het onderzoek van de laatste decennia; die zijn rijk geweest: we hebben veel nieuw materiaal gekregen en we mogen ook wel beweren aan inzicht te hebben gewonnen. Het beeld van de Alexandrijnse poëzie, dat we thans trachten te vormen, heb ik in het begin geschetst. N u moet ik echter nog even terug grijpen. Heeft de voornaamste stroming van de moderne poëzie, die door Gérard de Nerval en Baudelaire geinaugureerd is en die via Rimbaud en Mallarmé tot Eliot en de nu levenden ') vrijwel heel de dichtkunst is gaan beheersen (de bekentenis van incompetentie dient hier wel met nadruk herhaald te worden; ik ken van de enorme poëtische productie van de laatste honderd )aar natuurUjk slechts een fractie, en van wat er over geschreven is naar verhouding nog veel minder), heeft deze stroming het perspectief gewijzigd ? Op het eerste gezicht treft allerlei overeenkomst. De combinatie van theoreticus en scheppend kunstenaar komt bij de modernen even vaak voor als bij de Alexandrijnen. Beide groepen beminnen de allusie. Beide richten zich in wezen tot een kleine groep, een kring van kenners. Beide zoeken het zeldzame woord, mijden les mots de la tribu. Als men het goed beziet, beoefenen beide l'art pour l'art. Maar er is ook groot verschil. De breuk met de traditie is bij de modernen veel sterker dan hij bij de Alexandrijnen is geweest. Deels betreft dit motieven (ik spreek nu alleen over Griekse; het geldt even zeer voor latere). Griekse motieven komen in de moderne poëzie vrij veel voor. Soms worden ze gebruikt met een geheel on-Griekse inhoud; zoals bij Hoffmansthal, bij Mallarmé, Valéry, Giraudoux, Sartre. Mallarmé's Après-midi d^un Faune komt tenslotte uit Theocritus, maar die zou vreemd tegen zijn achterkleinkind aanldjken. Valéry's dialogen brengen Griekse personen op het toneel, maar hun ^) Ook al schijnt er nu iets te verschuiven, de erfenis valt niet meer weg te denken. 159
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Jaarboeken | 172 Pagina's