Jaarboek 1967 - pagina 63
Tot zover over Waterink als mens - nu als „man van wetenschap". Het is welhaast vanzelfsprekend dat zulk een mens, als hij psychologie en pedagogiek bedrijft, uitgaat van een zeer specifieke mensbeschouwing. Het is m.i. een bewijs van wetenschappelijke integriteit (en dus positief te waarderen), dat hij dit niet verhuld, maar expliciet en welbewust deed. Hoe ongeduldig kon hij fulmineren tegen al diegenen die zgn. „Voraussetzungslos" wetenschap dachten te kunnen bedrijven blinden, die niet eens dóór hadden dat zij zich tüch op zekere vooronderstellingen baseerden! Welke mensbeschouwing had de mens Waterink? Zijn rectorale oratie {„De mens ah religieus we^en en de hedendaagse psychologie"^ van 1955 is er aan gewijd, 't Is eigenlijk heel eenvoudig, zegt hij - de mens is „beelddrager Gods", d.w.z. zoals een kind op zijn vader lijkt, zo lijkt de mens op God. Het is niet zó, dat een christen zijn vaderbeeld op God projecteert, maar juist omgekeerd. God heeft ons naar Zijn beeld geschapen. Dit betekent, dat het meest wezenlijke van het mens-zijn is: de Ik-Gij relatie, het staan in relatie tot God - of (zoals hij het gaarne uitdrukte) het wezenlijke van de mens is zijn religieus-zijn. De mens, elke mens, staat in deze relatie - al speelt God geen enkele rol in zijn bewuste leven, al laat God hem onverschillig, al verklaart hij God voor dood! Immers ook als men iemand negeert of met de rug naar hem toe gaat staan, staat men met hem in relatie ! Dit geldt voor de gehele mens, in al zijn functioneren, dus ook voor zijn wetenschappelijk „gedrag". Men komt er niet van af door de verhouding van het geloof tot de wetenschap irrelevant voor de wetenschap te verklaren - dit is al een voorwetenschappelijke, a priori beginselverklaring. Een onjuiste bovendien, een onhoudbare beginselverklaring, volgens Waterink. Zoals gezegd: Waterink's antropologie is welbewust basis en uitgangspunt van zijn gehele wetenschappelijke arbeid - speciaal blijkt dit in de theoretische psychologie - een vak dat hij daarom ook tot het laatst toe zelfheeft willen doceren. Daarom antwoordt hij uitdrukkelijk bevestigend als men de vraag stelt of een christelijke psychologie mogelijk is (zie P.S. maart 1966). Waarbij hij echter - dat moet er uitdrukkelijk bij - de psychologie omschrijft als ,,de wetenschap van het wezen, de samenhang en de opbouw van het psychisch gebeuren in het men61
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Jaarboeken | 172 Pagina's