Jaarboek 1967 - pagina 155
~ÏW^^^
nog enkele jonge dichters, gedeeltelijk via Catullus, geleerd van de Alexandrijnen. Ze hebben gepassioneerde persoonlijke liefdeslyriek geschreven - bij Propertius heeft men soms het gevoel, dat voor fluit geschreven Alexandrijnse muziek getransponeerd wordt voor cello. En Ovidius heeft in Alexandrijnse trant mythen en sagen verteld en erotische poëzie geschreven. Zijn werk heeft zeker tot 1800 toe een zeer grote invloed gehad. Het heeft verve en esprit, en het kent de ironische distantie, al is het vergeleken met het oeuvre van Callimachus en Asclepiades net een tikje grof. Deze drie, Vergilius, de „elegiaci" (Propertius) en Ovidius hebben in sterke mate het beeld bepaald, dat men zich later van de Alexandrijnen heeft gevormd: geleerde mythographen, dichters van bucolische poëzie en beoefenaars van het liefdeslied. Alle drie niet juist, althans niet geheel juist. In de daarna volgende eeuwen is men de Alexandrijnen blijven lezen. Dan beginnen ook de papyri los te komen; we hebben zelfs flarden van een geannoteerde editie van Callimachus. Maar - dat zijn allemaal resten van pocketboeken; van een duurzame editie, zoals ten grondslag liggen aan de handschriften, waarop onze overlevering berust, valt weinig te bespeuren. Het classicisme had gewonnen. Omstreeks 200 na Chr. begint het selectieproces, dat die overlevering inleidt; het is vooral door de school bepaald. Men heeft uit de klassieke periode een aantal werken geselecteerd; de rest is verloren gegaan (ook hier moet ik waarschuwen, dat sommigen het proces anders zien, en vooral, dat men het zich niet al te simplistisch moet voorstellen). Zo hebben we van Aeschylus 7 stukken over van zijn 90. Enkele wetenschappelijke werken zijn in instituten bewaard; het Corpus Hippocraticum door medici, de geschriften van Plato in de Akademie. Maar de verliezen zijn enorm, en vooral de Hellenistische litteratuur is er bekaaid afgekomen. Het is een toeval, dat we van enkele Alexandrijnse dichters meer bezitten dan fragmenten. Nu moet ik mezelf in Alexandrijnse trant onderbreken. Tot hier toe heb ik met een zekere pretentie van bevoegdheid kunnen spreken, als het 't Grieks betrof; enigszins ook nog voor het Latijn. Maar in wat volgt is een dilettant aan het woord; ik ben er van bewust, dat ik misschien onbekend ben met feiten, die wat ik poneer onmiddellijk kunnen weerleggen. 153
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Jaarboeken | 172 Pagina's