Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Jaarboek 1969 - pagina 161

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Jaarboek 1969 - pagina 161

2 minuten leestijd

werd het nodig geoordeeld dat eens en vooral werd uitgesproken dat de mens ook tegenover de rechtsvormer aanspraak kan maken op een zekere vrijheidssfeer. Daarom werden de in de Universele Verklaring opgesomde rechten geformuleerd, daarom ook heeft men 18 jaar lang met noeste ijver en onvermoeibaar doorzettingsvermogen getracht deze rechten nader uit te werken in een rechtens bindende conventie, een pogen dat 2 jaar geleden met succes werd bekroond, toen de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties met algemene stemmen twee verdragen aanvaardde, het ene handelend over de zg. politieke en burgerlijke grondrechten, het andere over de economische, sociale en culturele grondrechten. Daarmee zijn wij gekomen aan het chapiter van deze grondrechten zelf, die als onvervreemdbaar worden gekwalificeerd. Een aantal daarvan, zoals vrijheid van geweten, vrijheid van meningsuiting, verbod van slavernij, verbod van foltering, vrijheid van vereniging en vergadering, komen ons bekend voor, omdat zij van oudsher ook in onze eigen rechtsregelingen gevonden kunnen worden. Maar waarom aanvaarden wij de^e rechten zonder meer als vanzelfsprekend? Omdat wij binnen onze phase van de cultuur deze rechten als onmisbaar zien voor de vrije ontplooiing van de persoonlijkheid van de mens. Kan men echter, uitgaande van de grondgedachte dat de mens voor die ontplooiing van zijn persoonlijkheid een zekere sfeer van vrijheid behoeft, tot veel meer komen dan de vijf punten, zoals die zijn opgesomd door Alfred Verdross in zijn boek Abendlandische Rechtsphilosophie ^): 1. ledere gemeenschapsordening moet de mens een ruimte verschaffen, waarin hij als vrij en verantwoordelijk wezen werkzaam kan zijn. 2. De gemeenschapsordening moet deze ruimte veilig stellen en beschermen. 3. Aan het gemeenschapsgezag moeten bepaalde grenzen worden gesteld. 4. De inachtneming van deze grenzen worden gecontroleerd. 5. De gehoorzaamheidsplicht van de rechtsgenoten jegens de gemeenschap is geen absolute. Zij vindt haar grenzen in de waarde van de menselijke persoon. Kan men, in concreto, stellen dat, uitgaande van deze grondgedachte, de enkeling over een bepaald aantal nader omschreven rechten en vrijheden moet kunnen beschikken of is het niet zo dat, afhankelijk van de cultuurfase waarin hij verkeert, deze rechten en vrijheden anders zullen moeten of kunnen worden geformuleerd, omdat immers deze cultuurfase bepalend is voor de ontplooiingsmogelijkheden van het individu? Daarmee wordt het „onvervreemdbare", het absolute karakter van deze rechten wel „im Frage gestellt", doch laten wij niet vergeten, dat dit karakter een residu is van het nationalistische eeuwige en onveranderlijke natuurrecht. Niet de rechten zijn onvervreemdbaar, ,,sacrés et inviolables", doch 159

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1969

Jaarboeken | 188 Pagina's

Jaarboek 1969 - pagina 161

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1969

Jaarboeken | 188 Pagina's