Jaarboek 1969 - pagina 58
Vervangmgswaardeleer", verschenen in het M.A.B, van december 1958. Typerend is de aanvang: „Wie, zoals de schrijver van deze beschouwing, niet behoort tot de kring der bevoorrechten, die door Limperg in de collegezaal in de vervangingswaardeleer werd onderwezen, stuit bij de bestudering en de toepassing van deze leer op verschillende moeilijkheden, waarvan wij er in het vervolg van dit artikel enkele willen behandelen." In dit artikel waagt Van Muiswinkel een poging om de oorsprong van de meningsverschillen, die er ook tussen Limperg's leerlingen (zoals bijv. Kleerekoper, Abr. Meij en Van der Schroeff) bestonden ten aanzien van de vraagstukken van de ,,Leer van Waarde en Winst" te localiseren. Deze oorsprong ziet hij in een aantal onduidelijkheden in de veronderstellingen die aan de vervangingswaardeleer ten grondslag liggen. Aanvankelijk was ik van plan de hoofdgedachten van dit belangrijke artikel hier weer te geven. Dit zou echter meebrengen dat ik ook de tegenkritiek tot zijn recht zou moeten laten komen. Daardoor zou dit herdenkingscollege een zodanig vaktechnisch karakter krijgen, dat het slechts enkele vakgenoten zou aanspreken. Ik beperk mij daarom tot enige opmerkingen. Dit artikel heeft in het kamp der vervangingswaardetheoretici nog al wat indruk gemaakt. Van Muiswinkel vertelde mij met voldoening - voor de waarheid kan ik uiteraard niet volledig instaan - dat men aanvankelijk niet goed wist, wie deze fundamentele kritiek het beste zou kunnen beantwoorden. Eerst had de Amsterdamse grootmeester der bedrijfseconomie ?elf de wens te kennen gegeven, deze taak op zich te nemen, later zag hij hiervan af. Aan Van Muiswinkel schreef hij een brief, waaraan ik het volgende ontleen: „Ik heb in het algemeen reeds geruime tijd geleden besloten, mij niet meer in een gedachtenwisseling te begeven, omdat ik van oordeel ben, dat ik deze nu maar aan jongeren moet overlaten. Maar jouw opstel is 20 gedegen en opbouwend en je kritiek is 20 welwillend gesteld, dat ik mij niet aan een beantwoording wilde onttrekken; zulks te minder nu die kritiek voor een deel voortspruit uit de omstandigheid, dat ik in het verleden heb nagelaten de op mijn naam staande theorie, in voldoende mate in geschrifte uit te werken." Limperg erkent hierin dus ook ruiterlijk de onvolledige presentatie van de vervangingswaardetheorie in het verleden (dus vóór 1958), waarop de kritiek van Van Muiswinkel gebaseerd was. Zijn kritiek is beantwoord door de collega's J. L. Meij en H. J. van der Schroeff in het M.A.B, van resp. juni i960 en mei 1964. Deze gedachtenwisseling heeft ertoe meegewerkt, dat over een aantal essentiële punten overeenstemming is bereikt, hoewel in de fundering van deze punten nog wel wat 56
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1969
Jaarboeken | 188 Pagina's