Jaarboek 1969 - pagina 45
duidelijke stijl, die soms stellig tegen de bedoeling van de auteur in wel sterk aan het verleden herinnert: de uitdrukkingen „klagelijk einde", „uitnemend" geschrift, ,,keurige" citaten strekken tot bewijs. Hoogst zelden treft men een licht pathetische uitschieter aan en dan slechts in een populair gehouden artikeltje - nooit in het wetenschappelijk werk ,,Eens komt de dag van de derde Mongolenstorm . . ." Een enkele keer is hij fel, zo naar aanleiding van de korte crisis in i960 als gevolg van de motie betreffende de woningbouw ingediend door Van Eibergen, wanneer hij verzucht dat het aan alle kanten rammelde. Geenszins het juridische verwaarlozend, benadert hij in de eerste plaats zijn stof als historicus. Hij doet dit onbevooroordeeld, in deze zin dat de feiten hun eigen taal spreken, terwijl hij soms vanuit persoonlijke overtuiging een beoordeling toevoegt. Met Thorbecke heeft hij aanvankelijk moeite gehad; de dissertatie is er duidelijk op gericht vast te stellen dat de vader der grondwet van 1848 niet als voorstander, laat staan als pleitbezorger voor de vrijheid van onderwijs mag beschouwd, zodat zij door zijn toedoen in genoemde constitutie zou zijn vastgelegd. Maar ofschoon steeds beseffend hoe er een groot verschil was tussen Thorbecke die het verband tussen religie en staatkunde in de persoonlijke sfeer hield enerzijds en Groen van Prinsterer, die ,,een staatsman niet, een evangeliebelijder" de relatie beslist breder legde, anderzijds, heeft de liberale staatsman Scholten nimmer losgelaten; af en toe geeft hij hem tegenover Groen gelijk, zo als het de positie van de gemeente in het Nederlandse staatsrecht betreft. Zonder bijzonder diep op Thorbecke's wijsgerige gedachtenwereld in te gaan - Manger was hier beter - waardeert hij diens organische beschouwing, waarin de delen van het geheel niet zijn los te maken en telkens aan een veelheid van factoren kan worden recht gedaan. De waardering groeit: Thorbecke is een man van diepe religiositeit; hij gaf ons land duurzame staatkundige vorm door zijn constitutie, de laatste bundel voert als titel: ,,In de voetstappen van Thorbecke." Daarentegen heeft hij met een Kuyper, ofschoon hem soms prijzend als iure suo opvolger van Groen, de man die het sociale vraagstuk op treffende wijze voordroeg, die indrukwekkende, ja ,,machtige" deputatenredevoeringen hield, voor wiens handhaving van het gezag in 1903 hij bewondering koestert, meer moeite. Of hem de figuur van Kuyper volop sympathiek is geweest? Aan het einde van zijn leven over de partijvorming tot aan de eerste wereldoorlog sprekend haalt hij een gezwollen passage aan, afkomstig uit Kuyper's in 1913 gehouden toespraak „ D e Meiboom in k o p " om erop te laten volgen de spot van een tegenstander ,,De Meiwijn in de kop". Trouwens ook verder heeft hij bezwaren. De anti-revolutionaire leider is meer man van de vrijheid dan van het gezag, zet de rechten van de onderdaan uit en krimpt de bevoegd43
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1969
Jaarboeken | 188 Pagina's