Jaarboek 1969 - pagina 159
Doch voor de evaluatie van de rechten die men de mens tegenover de gemeenschap toekent - en daarover gaat het in wezen bij de rechten van de mens - zal het een enorm verschil uitmaken of men van het individu dan wel van de gemeenschap uitgaat. In het eerste geval prevaleren er immers totaal andere belangen. Het moet overigens vermeld worden dat van verschillende zijden - en niet in het minst van protestants-christelijke zijde getracht is aan de dwang van deze beide extremen te ontkomen en dat op goede gronden. Beide berusten immers op ficties: de individualistische theorie, omdat het individu sec niet voorkomt doch slechts in gemeenschap leeft; de collectivistische, omdat het individu boven de gemeenschap uitstijgt, meer is dan de optelling van zijn sociale functies. Op het schoonst is dit wellicht geformuleerd door Emil Brunner in zijn in 1942 verschenen brochure ,,Die Menschenrechte nach reformierter Lehre" *). Hij schildert de mens als het naar Gods Beeld in verantwoordelijkheid geschapen creatuur. Deze verantwoordelijkheid veronderstelt een sfeer van vrijheid, want slechts in vrijheid kan men verantwoordelijk handelen. Deze vrije verantwoordelijkheid is 's mensen bestemming en om aan deze bestemming te beantwoorden, om zijn persoonlijkheid tot ontplooiing te brengen, behoeft hij een zekere ruimte. Deze ruimte is echter geen onbegrensde ruimte, de daaruit resulterende vrijheid is geen onbeperkte vrijheid, want tegelijkertijd, aldus Breemer, is de mens ook in gemeenschap geschapen en dit veronderstelt het aangewezen zijn op en daarmee ook de verantwoordelijkheid ten aanzien van de anderen. Niet de enkeling is dus primair, maar evenmin de gemeenschap; de enkeling is niet slechts een radertje ten dienste van het grotere geheel (dit zou zijn geheel eigen waarde van in vrije verantwoordelijkheid geschapen individu miskennen), doch evenmin is de gemeenschap er slechts ten bate van het individu; zij heeft haar geheel eigen verantwoordelijkheid omdat zij het algemeen belang (dat is het gezamenlijk belang van alle in haar verenigde individuen) ten doel heeft. Het is deze opvatting die - zij het veelal op andere grondslagen en met uiteenlopende schakeringen - de gangbare is geworden en wat ik - kortheidshalve volstaand met een geografische aanduiding - de Westerse wereld zou willen noemen. Het individu kan tegenover de gemeenschap i.e. de staat aanspraak maken op eerbiediging van een bepaalde vrijheidssfeer, anderzijds is deze sfeer beperkt door de eisen van de gemeenschap. Heel duidelijk is dit terug te vinden in de wijze waarop deze rechten in tal van landen en ook bijv. in de Europese Conventie ter bescherming van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden, het bekende verdrag van Rome van 4 november 1950, zijn geformuleerd. Enerzijds wordt gesteld dat een ieder recht heeft op bijv. vrijheid van meningsuiting, anderzijds wordt bepaald dat daarop bij de wet uitzondering 157
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1969
Jaarboeken | 188 Pagina's