Jaarboek 1969 - pagina 47
soms teveel toenadering zocht tot de Kamers. Men kan evenwel ook een misprijzend oordeel over dergelijke extra parlementaire ministeries vinden, en zulks in een verband dat de indruk wekt: er is ongenoegzaam met de volksvertegenwoordigers gerekend. Kennelijk is er - in 1946 - enige beïnvloeding door de omstandigheden welke tot deze stellingkeuze beweegt. Politieke partijen en partijleiders zoals ze in Nederland voorkomen ontmoeten bij Scholten bedenkingen. Hij erkent de noodzaak van de machtsfactor in de staatkunde. Hij waardeert het dat Kuyper en anderen de vaderlandse politiek organisatorische vastheid door afbakening naar beginselen verleenden. Van beginselen zelf heeft hij, ze met soberheid hanterend, zich nooit afkerig getoond. Toch wees hij in het partijsysteem ook feilen aan. De inspraak der leden - hij stond zelf niet in de pas bij de zeer autoritaire dr. Schouten, die tegenover zijn wat „relativerend" denken kritisch en tegenover zijn niet komen tot voortgezette actie onbegrijpend stond - kwam vooral bij de antirevolutionairen niet aan haar trekken. Elke heilige wilde zijn kaarsje hebben, wat betekende dat een veelheid van kleine belangen en belangenvertegenwoordigers het voeren van een politiek in grootse stijl belemmerde. Hij miste in ons land te zeer de nationale, voor hem de christelijk-nationale gedachte. Vandaar zijn aandringen op verdieping van de volksgeest, op het stichten van kampen voor de jeugd, die globaal beschouwd aan meer lichamelijke oefening behoefte had, op de doorbreking van te sterk particularisme, op bijbelonderricht in de openbare school. ,,Hoe meer antirevolutionair, hoe meer Nederlands" vat zijn gedachten goed samen. Vandaar zijn bewondering voor Colijn: zoals deze niet speculatief, zoals deze gehecht aan de Nederlandse natie met aan nationale trouw gepaard gaande veroordeling van bekrompenheid en schotjesmentaliteit; ook Colijns militaire rechtlijnigheid, ongeveer in de trant van: „gezag is gezag" lachte hem toe. In Colijn stelde hij, bij wie zelf op het onverwachts enige geremdheid zich voordeed de innerlijke dynamiek en het natuurlijk overwicht op prijs. Evenals Colijn wilde hij de koninklijke macht naar voren schuiven, meende hij dat aan de particuliere eigendom niet moest worden gewrikt. Dit geheel van denkbeelden is belangwekkend, is ondertussen niet schokkend. Soms had men meer willen horen. Thorbecke is de liberaal die de volkssouvereiniteit wilde temmen: in hoeverre is Thorbecke aanhanger der volkssouvereiniteit geweest en heeft dit begrip niet meer dan één betekenis, hetgeen temeer klemt, omdat Scholten verzekert dat Thorbecke zich de destructieve werking van dit beginsel in genen dele ontveinsde. De vrijheidsrechten zouden rechtsgoederen zijn wier vervreemding niet aan het goedvinden der onderdanen kon worden overgelaten; zij zijn tegenover de staatsmacht geldend te maken; de grondwet door hen op te sommen, verwijst bepaalde handelingen naar religie en zede. Toch wordt het verlossende 45
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1969
Jaarboeken | 188 Pagina's