Jaarboek 1969 - pagina 44
mend zijn geweest, voor 1940 hadden Anema, Diepenhorst, Zevenbergen, Dooyeweerd tot een beslist goede rechtsgeleerde opleiding bijgedragen. Al keerden na de oorlog de door de Duitsers weggevoerde en in het concentratiekamp gestorven Rutgers zomin als de een ander pad inslaande Gerbrandy Sr. terug, terwijl Oranje spoedig stierf, de faculteit handhaafde de verworven positie. Wel veranderde het type hoogleraar. Ook bij haar trad verbijzondering op. De vroeger ongedeelde werkzaamheid spreidde zich. Onderwijs en onderzoek groeiden iets uit elkaar. Bestuurlijke kwesties vroegen meer aandacht. Het contact met de buitenwereld diende te worden bewaard. Vergeleken met de tijd van vóór 1940 grote studentenaantallen verminderden de bekendheid van leermeesters en leerlingen met eikaars lotgeval. De in 1922 nauwelijks een notulenboek of administratie kennende faculteit werd een vrij ingewikkeld apparaat. De onderlinge samenhang boette zonder te verdwijnen aan betekenis in. Indien nu een keuze zou worden gemaakt om de werkzaamheid van de hoogleraar Scholten te karakteriseren, dan moet er niet voor alles van Scholten de bestuurder of van Scholten de onderzoeker sprake wezen. Het eerste is duidelijk, het tweede bevreemdt wanneer er niets zou volgen. Niettemin kan het een zo goed als het ander worden gestaafd. Al heeft deze hoogleraar zich steeds trouw van zijn facultatieve verplichtingen gekweten, in die mate zelfs dat nooit tevergeefs op hem een beroep werd gedaan om bij te springen, het bestuurlijke had niet zijn volledige liefde. Misschien onbewust heeft dit toch een rol gespeeld bij een niet doorgegaan ministerschap; het is zeker van invloed geweest op zijn niet in aanmerking willen komen voor een lidmaatschap van de Raad van State; dat hij eerder in wikken en wegen, in bespiegeling dan in de daad zijn kracht vond, heeft stellig ook tot de kortstondigheid en het voor zijn gevoel niet volledig bevredigende van zijn Tweede Kamerlidmaatschap bijgedragen. Maar wonderlijk doet aan dat niet de onderzoeker Scholten naar voren wordt gehaald. Uiteraard moet op zijn wetenschappelijke denkbeelden het zoeklicht worden gericht. Hen uiteen te zetten is onontwijkbaar en vraagt, ofschoon er geen afzonderlijk magnus opus verscheen, de meeste ruimte. Desondanks zal hier de grootste betekenis van Scholten niet te vinden zijn, al bereikte hij heel wat. Hij heeft zich immers steeds met historisch-juridisch speurwerk beziggehouden. Met zijn dissertatie ,,Thorbecke en de vrijheid van onderwijs tot 1848" liet hij zich kennen als iemand die in de vaderlandse politieke historie der 19e eeuw terdege thuis was. Zijn sedertdien verschenen opstellen en redevoeringen bevestigden zijn goede naam te dezen. Hij levert nauwkeurig werk, weet waarover hij schrijft, heeft nogal eens gevonden, wat aan anderen ontging, maakt zich niet schuldig aan krasse oordeelvellingen, die later moeten worden teruggenomen en doet dit alles in een 42
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1969
Jaarboeken | 188 Pagina's