Jaarboek 1987-1988 - pagina 52
encomium dat hij uit te spreken had, doch dat heeft hem niet belet om, ondanks zijn conclusie "De goddelijke leerschool kent niet de wet van de encomia",'^ de voorschriften van de rhetorica naar de vorm althans gedeeltelijk te volgen. Inhoudelijk bestaat er echter voor hem een groot verschil tussen de pagane encomia en de christelijke die zich met het voorbijgaan aan vele traditionele elementen van de pagane encomia beperken tot de persoonlijke verdiensten van degene die men eert. Heel duidelijk laat ook Asterius zich daarover uit: "De roem van de christenen bestaat volgens het evangelie in de nederigheid. Maar zelfs als ik de lofredes van de buitenstaanders doorneem, dan keur ik die ten sterkste af. Want als zij degenen die zij tot onderwerp kiezen willen verheerlijken, dan zitten zij, alsof er niets goeds van te zeggen valt, meteen zonder de minste reden bij de graven, en vallen degenen die daar uitrusten zomaar lastig en maken van de doden een sierstuk voor de levenden; zij roepen de overledenen te hulp en geven op die manier toe dat er niets goed is aan hen die zij moeten prijzen;''^ Hier raken wij een belangrijk punt. Ook waar de pagane en christelijke encomia naar de vorm overeenstemmen, doen we er goed aan te letten op de inhoud en bedoeling van elk. Vroegchristelijke auteurs bedienen zich van dezelfde regels en volgen vaak dezelfde voorschriften, doch inhoudelijk blijken de accenten nog al eens behoorlijk verlegd en daarvoor bestaat niet altijd voldoende oog, hoewel de auteurs zelf zich daarvan terdege bewust geweest zijn. Hetzelfde kunnen we constateren in het genre van de troostliteratuur. Naar de vorm overeenkomst tussen pagane en christelijke consolationes, troostschriften, doch inhoudelijk opmerkelijke verschillen. Laat ik terugkeren naar de bescheidenheidstopos, dat wil zeggen de plaatsen waarin de auteurs van zichzelf zeggen niet opgewassen te zijn tegen een waardige behandeling van hun onderwerp, hoezeer zij zich in het vervolg van hun encomia of preken ook beijveren hun gehoor ook door hun dictie te bekoren. Zoals ik al opmerkte heeft men de christelijke auteurs dikwijls de valse bescheidenheid verweten, de modestia affectata, waarmee zij zouden staan in de antieke traditie. Zo verklaart Ernst Robert Curtius in zijn fascinerende boek Europaische Literatur und Lateinisches Mittelalter de uiting van eigen onvermogen geheel en al uit de antieke rhetorica. Vanuit de christelijke traditie kan hij maar twee bijbelplaatsen aanvoeren die daartoe model gestaan zouden kunnen hebben, te weten Sapientia 9, 4 en 5 (geef mij de wijsheid, die naast U troont en sluit mij niet buiten de kring van Uw kinderen, want ik ben Uw dienaar, de zoon van Uw dienstmaagd, een zwakke mens, van geringe levensduur, die te kort schiet in het verstaan van recht en wetten) en 2 Cor. 11, 6 waar Paulus van zichzelf zegt: Ben ik dan al onervaren in het spreken (tótcÓTT/s 70) Xóyui), in kennis ben ik het niet. In deze laatste tekst ziet Curtius zelf echter geen bescheidenheid.'" In zijn voetspoor ziet Klaus Thraede het verschil tussen pagane en christelijke bescheidenheidsuitingen slechts hierin dat de christelijke auteurs deze topos funderen met een beroep op bijbelplaatsen. Hij onderkent in de christelijke teksten wel een laat-antieke christelijke deemoedsgedachte, maar wil die vanuit 50
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Jaarboeken | 162 Pagina's