Jaarboek 1987-1988 - pagina 55
dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien, en 1 Cor. 10, 4 waar van de Israëlieten gezegd wordt dat zij allen dezelfde geestelijke drank dronken uit een geestelijke rots, die de Christus was." Zo worden ook de vier paradijsrivieren nogal eens opgevat als de vier evangelisten en kan de presbyter Leontius van Constantinopel in één van zijn preken refererend aan een voorgelezen pericoop uit het Johannes-évangelie zeggen: Ik hoorde zoeven de rivier Eufraat zeggen, ik bedoel de evangelist Johannes.^" Nu is Johannes in dit verband voor de patres wel de evangelist par excellence. Hij heeft immers volgens het evangelie aan Jezus' borst gelegen en daaruit de diepe geheimen, zoals die onder meer in de proloog van zijn evangelie vertolkt worden, geput. Ook voor Severianus ontspringen de rivieren, waarmee hij doelt op de profeten en apostelen, aan Christus, de bron der wijsheid.^' Welnu, een bescheiden mens siert het om als hij deze bekende beeldspraak op zichzelf toepast, zijn preek een druppel te noemen. Voor zover ik heb kunnen nagaan is Severianus de eerste griekse auteur die dit beeld gebruikt. Basilius van Seleucia heeft hem later nagevolgd.^^ Van het beeld van de druppel komt Severianus in het boven geciteerde prooemium dan op het beeld van het stamelen, een overgang die meer dan toevallig genoemd kan worden. Het trage ritme van na elkaar neervallende druppels en moeizaam gesproken woorden vormen naar mijn oordeel de verbindingsschakel in Severianus' gedachtengang in dit in twee delen uiteenvallende prooemium. Kunnen we vooralsnog in het eerste gedeelte de notie van deemoed achter de gebruikte beeldspraak zien, in het tweede gedeelte is deze notie naar mijn oordeel afwezig. Daar ligt alle nadruk op de verlegenheid, die Severianus voelt tegenover de opdracht waarvoor hij stond in de verkondiging van het woord. Hij voelde zich overweldigd door de verhevenheid van de deoXoyia, die in de periode waarover ik nu spreek vaak toegespitst was op de vraag van de goddelijke waardigheid van Christus. Gesteld voor die opgave gebruikt Severianus het beeld van het stamelen, maar ditmaal niet als eerste. Hij staat nu in een traditie die al begint bij de gehelleniseerde jood Philo van Alexandrië uit de eerste helft van de eerste eeuw na Christus. In deze traditie speelt het boven door mij reeds aangehaalde bijbelvers Exodus 4, 10 een belangrijke rol. Een vers door auteurs als Philo, Clemens van Alexandrië, Origenes vooral geciteerd als voorbeeld van deemoed welke Mozes tegenover God toonde.'^^ Later blijft de expliciete vermelding van die notie achterwege; vierde-eeuwse auteurs, als b.v. Basilius van Caesarea, belijden veeleer dat ze niet in staat zijn om op een waardige wijze {Kar'&^icev) over verheven en moeilijke gedachten te spreken.^" Zij belijden veeleer hun onvermogen in moeilijke theologische vragen dan hun deemoed. Ik besef evenwel dat een scherpe scheiding tussen beide niet te maken valt en dat er wellicht meer sprake is van een verschil in accent. Blikken we nu terug op het aangehaalde prooemium van Severianus, dan zou onze eindconclusie kunnen zijn dat ons daarin een bescheiden en nederig man tegemoet treedt, bij wie van enige geveinsdheid geen sprake lijkt, maar veeleer van op de bij53
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Jaarboeken | 162 Pagina's