Jaarboek 1987-1988 - pagina 59
ontleend aan de bijbel ruimer uit te werken. Ik wil volstaan met de verwijzing die men in dit verband veelvuldig aantreft naar Mozes en Daniël, die respectievelijk zeer geverseerd waren in de Egyptische en Chaldeese wijsheid.'' Om het misverstand te voorkomen dat de boven door mij geschetste houding alleen voorkomt bij de griekse patres, wijs ik ook op Augustinus, wiens bekende begrippenpaar uti/frui voor wat betreft het eerste lid, uti, gebruiken, dezelfde traditie vertegenwoordigt. In De doctrina Christiana werkt hij het beeld van het egyptische vaatwerk uit in een passage waarin hij zegt dat het geoorloofd is om de kennis die de Egyptenaren verkeerd gebruiken en die in ruime mate bruikbaar is voor de waarheid, aan te wenden voor het verkondigen van het evangelie, ze omvormend tot een christelijk gebruik (in usum convertanda christianum). Vervolgens noemt hij als voorbeelden uit het verleden auteurs als Cyprianus, Lactantius, Hilarius en de ontelbare Grieken. Met andere woorden, volgens hem was deze manier van omgaan met de antieke cultuur algemeen ingeburgerd onder de christenen. Maar tegelijkertijd merkt hij op dat, al komt men nog zo rijk uit Egypte, dit niet baat als men niet zachtmoedig en nederig van hart is. Want dezulken maakt de kennis niet opgeblazen, maar sticht de liefde, merkt Augustinus met de woorden van de apostel Paulus op.'"' Met deze woorden zijn we weer terug bij ons uitgangspunt. Deze wellicht toch nog wat lang uitgevallen toelichting op de vraag hoe de patres stonden tegenover de antieke literatuur en cultuur was nodig om het eigene van de vroegchristelijke literatuur zoals dat ook naar voren komt in uitingen van deemoed in de prooemia, duidelijk voor ogen te krijgen. We hebben daarin gezien hoe vroegchristelijke auteurs motieven en topoi aan de antieke literatuur ontleend hebben, of liever om in aansluiting bij de gegeven uiteenzetting te formuleren, motieven en gemeenplaatsen van de antieke literatuur gebruikt hebben. Daarbij speelden voor hen drie doeleinden een rol. Allereerst het polemische doel, waarbij de heidenen met hun eigen wapens bestreden werden. Vervolgens het missionaire, waarbij vertrouwde gedachten en vormen een rol hadden te spelen in het winnen van de mensen voor de nieuwe religie. Tenslotte het theocentrische doel om de schatten van de heidense cultuur dienstbaar te maken aan de dienst aan God."" Tevens hebben we opgemerkt dat ze bestaande vormen omgevormd hebben naar hun behoefte. Uiterlijk bestaat er overeenkomst, dikwijls grote, doch inhoudelijk is er sprake van een diepe kloof. De vroegchristelijke auteurs recipiëren niet zomaar de antieke literatuur en haar vormen, maar zij gebruiken die. Wie daar geen oog voor heeft, miskent een wezenlijk kenmerk van de patristische literatuur.
57
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Jaarboeken | 162 Pagina's