Jaarboek 1987-1988 - pagina 41
maar voorwaarde voor ontwikkeling, zoals het Brundtland-rapport ons leert. Vele ontwikkelingslanden gaan gebukt onder enorme vervuiling van het milieu, vooral maar niet uitsluitend in en rond de grote steden. Vervuiling als gevolg van de armoede, tegenover onze vervuiling als bijprodukt van de rijkdom. De conventionele chemisch-fysische zuiveringstechnieken zijn voor ontwikkelingslanden te duur en doorgaans te gecompliceerd. In Nederland is met behulp van biotechnologie een alternatief ontwikkeld, dat erg geschikt lijkt voor landen in de Derde Wereld. Door middel van anaerobe micro-organismen kan goed en goedkoop zuivering van industrieel en huishoudelijk afvalwater worden bereikt. Ontwikkelingssamenwerking financiert projecten op dit terrein in India, Indonesië en Colombia. Die projecten houden niet alleen toepassing van die technologie in, maar ook overdracht van kennis. Het is immers van belang dat ook onderzoeksinstellingen daar bij de toepassing van deze technologie betrokken zijn, zodat een en ander hun zaak wordt. Aan het begin van mijn betoog heb ik U gemeld dat wij op Ontwikkelingssamenwerking in het beleid ten aanzien van de toepassing van biotechnologie meer lijn willen brengen, met een programma voor gerichte, selectieve aanwending van biotechnologie in de Derde Wereld. In het verleden is een ad hoc beleid gevoerd - ik noemde zoeven enkele voorbeelden - maar het is nodig om tot een meer samenhangend programma te komen. Daaraan wordt gewerkt. De gedachten gaan uit naar een stimuleringsprogramma met een looptijd van vijfjaar, dat niet alleen ontwikkeling van biotechnologie behelst, maar ook sociaal-economische studies en studies naar gevolgen van biotechnologie voor het ontwikkelingsvraagstuk. Het ontwikkelingsvraagstuk, het vraagstuk van rijk en arm in de wereld - het spreekt vanzelf dat Ontwikkelingssamenwerking vanuit dat gezichtspunt biotechnologie en haar gevolgen wil beschouwen. Ook al staan de details van het programma niet vast, het laat zich raden met wie moet worden samengewerkt om het programma tot een succes te maken. Ik denk in de eerste plaats aan het bedrijfsleven, dat door middel van research veel biotechnologische kennis heeft vergaard. Zoals gezegd, die research wordt voornamelijk ingezet op sectoren, waar snel commercieel aantrekkelijke toepassingen kunnen worden verwacht. Wie zou dat het bedrijfsleven kwalijk nemen? Niettemin is het van groot belang dat in ondernemingen het bewustzijn wordt versterkt dat biotechnologische vindingen ingrijpende gevolgen voor ontwikkelingslanden kunnen hebben en dat het zich meer systematisch richten op behoeften van ontwikkelingslanden op langere termijn een goede investering kan zijn. In ieder geval zou ik het bedrijfsleven graag op zijn bredere maatschappelijke verantwoordelijkheid aanspreken. Ook het coöperatieve bedrijfsleven vanuit zijn geschiedenis als zaak van de boeren zelf. Die geschiedenis biedt aanknopingspunten om zustercoöperaties in ontwikkelingslanden te steunen door kennis en ervaring te delen. Verder denk ik aan internationale organisaties, de Verenigde Naties bijvoorbeeld, maar ook de Consultative Group on International Agricultural Research (CGIAR) en de We39 f
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Jaarboeken | 162 Pagina's