Jaarboek 1987-1988 - pagina 39
zoek in de industrie anderzijds zodanig op elkaar af te stemmen, dat er een marktgericht programma ontstaat. Hiervoor staat ruim 90 miljoen gulden ter beschikking. Het is goed zich te reahseren dat daarvan 80 miljoen gulden besteed is voor onderzoek ten behoeve van toepassing in de industrie. De overheden van andere geïndustrialiseerde landen kennen soortgelijke programma's en ook daar heeft het stimuleringsbeleid een sterk marktgericht karakter. Daar is niets op tegen, maar het is wel goed te bedenken dat de gevolgen van biotechnologie voor ontwikkelingslanden in die stimuleringsprogramma's nauwelijks een rol spelen. Die vormen geen doelstelling, zelfs geen randvoorwaarde voor die programma's. De situatie doet zich dus voor dat biotechnologie de ontwikkelingslanden in beginsel veel te bieden heeft, maar dat die landen door hun achterstand niet in staat zijn tijdig de vruchten te plukken, maar wel nadelen dreigen te ervaren. Ik sprak daarover. Door hun economische achterstand, hun achtergebleven bedrijfsstructuur, door hun gebrek aan onderzoekscapaciteit en door hun gebrekkige infrastructuur hebben ontwikkehngslanden meer tijd nodig om op eigen kracht biotechnologie goed toe te kunnen passen. Hierdoor dreigen ze versterkt afhankelijk te raken van de geïndustrialiseerde landen. Ik ga hier nu niet verder op in. Het is in ieder geval duidelijk dat biotechnologie niet zo maar een technologie is, maar een technologie met vergaande maatschappelijke implicaties. Ten eerste omdat de bestaande kloof tussen geïndustrialiseerde landen en ontwikkelingslanden er op z'n minst door wordt bestendigd; wellicht geaccentueerd. Ten tweede omdat de snelle ontwikkelingen van biotechnologie zoveel sectoren van de samenleving raken, waaronder landbouw, gezondheidszorg, milieu, energie en industrie. En ten derde omdat de biotechnologie werkt met de bouwstenen van het leven, met het DNA dat in elke cel van plant, dier en mens aanwezig is. De betekenis van dit laatste, het werken met de bouwstenen van het leven, kan moeilijk worden overschat. Het is voor ons, twintigste-eeuwers, geen nieuws dat niet alles wat technisch mogelijk is, ook wenselijk is. De biotechnologie stelt ons duidelijker dan menig andere ontwikkeling voor de noodzaak van morele toetsing. Ik sprak al eerder over de ethische toets in algemene zin. Nu meer toegespitst. De recombinant DN A-technologie maakt het de mens mogelijk als medeschepper van levende organismen op te treden. Soortgrenzen vervagen. Op genetisch materiaal en op levende organismen kan octrooi worden aangevraagd. Is dat wenselijk? Of is die vraag achterhaald, doordat de realiteit de norm reeds voorschrijft? Nogmaals: hier ligt een groot en belangrijk werkterrein voor de universiteiten. Een ander probleem is van ecologische aard. Binnen afzienbare tijd kunnen we micro-organismen, planten en dieren uit laboratoria verwachten die natuurvreemd DNA bevatten. Er is eigenlijk heel weinig bekend hoe natuurvreemd DNA zonder natuurlijk tegenwicht in het ecosysteem zal functioneren. Gezien de kans op ecolo37
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Jaarboeken | 162 Pagina's