Jaarboek 1987-1988 - pagina 95
Willem Johannes Hubertus Caron werd op 19 juli 1901 in Epe geboren als tweede van vier kinderen. Na de lagere school bezocht hij de Gereformeerde kweekschool in Rotterdam, waar hij in 1920 ook een betrekking als onderwijzer vond. Hij verwierf vervolgens de lagere akten Tekenen en Engels en de hoofdakte. Daarna ontstond het plan om Nederlandse taal- en letterkunde te gaan studeren aan de Vrije Universiteit, waartoe hij in 1928 een werkkring in Amsterdam aanvaardde en een jaar later het staatsexamen Gymnasium A behaalde. De weg tot het vak van zijn keuze - hij had ook overwogen Biologie te gaan studeren - stond nu open. Zijn studie verliep voorspoedig: in 1931 legde hij het kandidaatsexamen af, in 1936 het doctoraal examen. Na het laatste examen verwisselde Caron zijn betrekking bij het lager onderwijs voor het leraarschap bij het middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs. Als leraar Nederlands (en Geschiedenis) is hij aan drie protestantschristelijke scholen in Amsterdam verbonden geweest. Aan de Christelijke H.B.S. aan het Oosterpark was hij tevens onderdirecteur (1944-1952). Aan de Vrije Universiteit trof Caron als zijn voornaamste leermeester prof.dr. J. Wille aan, die hem als neerlandicus eens voor al gevormd heeft. Op de colleges van Wille maakte hij o.a. kennis met de Nederlandse grammatici van ca. 1550 tot 1800, aan wie hij later zijn eigen wetenschappelijk werk in hoofdzaak zou wijden. Behalve het onderwerp wees Wille ook de methode aan, te weten een strikt historische benadering van hun geschriften. We moeten hierbij bedenken dat er in de jaren waarin Caron studeerde, aanleiding was om deze eis met nadruk te stellen. De geschriften van de oude grammatici werden in die tijd in het algemeen met wantrouwen benaderd. Dit wantrouwen bestond sinds het eind van de negentiende eeuw, toen het gebruikelijk werd de inzichten van die grammatici te toetsen aan die van de moderne taalwetenschap. Dat deze taalwetenschap niet alleen anders, maar ook beter was dan die van de grammatici, werd niet betwijfeld. Daar kwam bij dat hun uitspraken, vaak verkeerd geïnterpreteerd, gebruik werden als wapen in de taalpolitiek, dat wil zeggen als argument tegen de spelling De Vries en Te Winkel. Zowel tegen het een als tegen het ander nam Wille met kracht stelling, niet alleen op zijn colleges, maar ook bijvoorbeeld in zijn rectorale rede Taalbederf door de School van Kollewijn (1935). Wilden de oude grammatici eerlijk beoordeeld worden, zo meende Wille, dan moesten zij zonder vooroordelen en bijbedoehngen worden bestudeerd. Dit betekende dat de interpretatie van hun werk van de grond af opnieuw moest geschieden. Caron zou daaraan een belangrijke bijdrage leveren. In 1947 promoveerde hij 'cum laude' bij Wille op het proefschrift Klank en teken bij Erasmus en onze oudste grammatici, dat een herwaardering inhield van de fonetische opvattingen van deze auteurs. Zijn standpunt ten opzichte van deze stof formuleerde hij onder andere in zijn tweede stelhng: 'Er is geen reden het materiaal, dat de historischphonetische studie in het werk der oude grammatici vindt, in het algemeen onbetrouwbaar te achten'. Enkele maanden voordat Caron promoveerde, was er met de wet van 14 februari 93
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Jaarboeken | 162 Pagina's