Jaarboek 1987-1988 - pagina 29
zou de normstudent de maat voor allen zijn. 7.3. Het aantal vrouwelijke studenten aan de Nederlandse universiteiten is in de afgelopen jaren sterk toegenomen. Nadat tientallen jaren de verhouding 1:4 was, werd die in 1975 1:3 en in 1985 2:3. Dat gaat de goede kant op, zou je zeggen. Reden tot zorg is echter de distributie van de groei. Was in 1933 23% van de vrouwelijke academici afgestudeerd in de wis- en natuurkunde, in 1974 was dat 12,6%. Anders gezegd, de participatiegraad van vrouwen in het wetenschappelijk onderwijs neemt toe, maar de toename verloopt zeer asymmetrisch. Ze spitst zich toe op enkele sectoren, en niet de sectoren met het beste arbeidsperspectief. Binnen die sectoren -bijv. in de medische sector- komen ze vaker terecht in afstudeerrichtingen en specialisaties die minder status wordt toegekend. Dus, kies exact!? Het is de vraag of een dergelijke campagne alleen iets goeds uithaalt. Misschien werkt het zelfs averechts: studentes die aangespoord door de wervende teksten en de lokkende perspectieven een studie kiezen die ze niet volbrengen, waar ze zich als een kat in een vreemd pakhuis voelen, dat ze vervolgens zo snel mogelijk de rug toekeren om tenslotte maar helemaal van hoger onderwijs af te zien. Waar het aan schort is een betere aansluiting met het v.w.o. en aan de universiteit verbetering van begeleiding en studieklimaat voor vrouwelijke studenten buiten de richtingen waar traditioneel veel vrouwen studeren en relatief meer vrouwen doceren. In januari 1989 vindt in dit huis een congres plaats dat zich ten doel stelt deze materie verder te verkennen en na te gaan wat er kan worden ondernomen om automatismen te doorbreken, bij de studentes en niet in de laatste plaats in de onderwijs- en begeleidingsomgeving. 7.4. Internationalisering mag zich verheugen in een grote belangstelling. Nog voor 1992 moet alles anders. Dan komt Columbus terug en verandert Europa. Ik laat dat voor wat het is en vraag aandacht voor wat je de kleine internationalisering zou kunnen noemen: in het onderwijs ruimte maken voor studenten met een niet-Nederlandse achtergrond, meestal omschreven als tweede-generatieallochtonen. Die studenten bereiken in relatief beperkte aantallen de universiteit (stagnatie in of zelfs voor het VWO) en als ze er zijn, blijven ze vaak onzichtbaar. Er gebeurt voor studenten met een buitenlandse vooropleiding tamelijk veel: in de faculteiten, door het overbruggingsjaar, door taalcursussen, door studentendecanen. Door samenwerking in de regio Amsterdam wordt deze inzet verder verbreed. Voor de tweede-generatie-allochtonen is er zoiets niet, hoewel ze in veel opzichten in een overeenkomstige situatie verkeren (culturele verschillen, taalproblemen, specifieke sexebepaalde rolver wachtingen). In twee richtingen zouden op korte termijn initiatieven ontplooid kunnen worden: een nader onderzoek (bij voorkeur in samenwerking met zusterinstellingen, in de 27
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Jaarboeken | 162 Pagina's