Jaarboek 1987-1988 - pagina 56
bel en bijbelse beeldspraak gefundeerde deemoed. De werkelijkheid is echter minder mooi dan we op grond van dit ene prooemium mogen geloven. Severianus gebruikt het beeld van de druppel nog tweemaal; op één plaats vinden we een zelfde toepassing als in de aangehaalde Hemelvaartspreek. Hij vergelijkt zich ook daar met profeten, apostelen en evangelisten, die hij opnieuw rivieren van de Heilige Geest noemt."^ Op de andere plaats noemt hij zijn eigen woorden druppels vergeleken met de geweldige rivier die de aanwezige patriarch van Constantinopel, Johannes Chrystostomus, is.'^* Nu kan men hier een hoffelijk gebaar of wellicht beter een hoofse manier van uitdrukken in zien. Zo komt een vergelijkbaar beeld voor in een latijnse preek van Gaudentius van Brescia, die de bekende Ambrosius van Milaan inviteert om na de geringe dauw van zijn preek de harten van de gelovigen te overstromen met zijn schriftuitleg.^^ Bij Severianus ligt het wellicht toch wat anders. Gewapend met de informatie die de 4e-eeuwse kerkgeschiedschrijver Socrates ons verschaft over Severianus, namelijk dat hij naar Constantinopel kwam om met zijn preken geld te verdienen, en met de informatie dat Severianus op goede voet stond met het keizerlijk hof, vooral met keizerin Eudoxia,^^ lijken we Severianus veeleer te moeten typeren als een op aanzien belust man wars van nederigheid. Met andere woorden in zijn mond lijkt de hoofsheid jegens Chrysostomus tot uitdrukking komend in het beeld van de druppel en de rivier veeleer geveinsd. Misschien mogen we zelfs voluit van vleierij spreken en dat gegeven maakt het uiterst dubieus of Severianus op de twee andere plaatsen die ik aanhaalde wel zo nederig is als hij zich daar voordoet. Hoewel het prooemium een toonbeeld lijkt van christelijke deemoed, moeten we toch weer de term modestia affectata naar voren halen, maar nu terwille van het onderscheid met de pagane auteurs spreken van humilitas affectata. En daarmee zijn we ver af van wat Benediktus van Nursia later voor de monnik formuleert als zevende trap van nederigheid, namelijk dat hij niet alleen met zijn mond belijdt dat hij minder is dan allen, maar daarvan ook zelf in zijn hart overtuigd is.^' Datzelfde geldt wellicht ook voor het beeld van het stamelen dat Severianus gebruikt. Ten diepste is hij er mogelijk van overtuigd dat aangaande moeilijke theologische vragen een mens niet meer overschiet dan te stamelen. Hij is echter naar eigen zeggen naar Constantinopel gekomen om ketterse ideeën te bestrijden.'" En dat doet hij met overgave in zijn preken. Bij een vechtjas nu hoort geen stamelen, al is Severianus ook geen groot orator. Hij verstaat de kunst een goede redevoering te houden terdege, maar door zijn gedrevenheid voor de orthodoxie besteedt hij aan een goede stijl slechts weinig aandacht. Zichzelf in deze situatie te presenteren als een stamelaar getuigt dan echter niet zozeer van persoonlijke deemoed als wel van het zich bewust in een traditie plaatsen waarin de rhetorisch onvermogende apostelen gesteld worden tegenover de welsprekende heidense rhetoren, zoals verwoord in het befaamde piscatores, non oratores (vissers, geen redenaars).'' Maar ondanks het ver achterblijven in welsprekendheid bij de heidense rhetoren, bewerkstelligden de apostelen in de verkondiging van het woord veel meer dan hun 54
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Jaarboeken | 162 Pagina's