1901-1902 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 167
161 eene ontwikkeling van het heelal, die eerst zeer langzaam in den loop der tijden is tot stand gekomen. Hij stelt zich de aan ons toegankelijke wereld voor als opgebouwd uit onderling gelijke elementen, die op ongelijkmatige wijze in de ruimte verdeeld zijn en aan bepaalde wetten onderworpen zyn. De natuuronderzoeker beschouwt deze wereld als een keten van verschillende processen, die naar de wet van oorzaak en gevolg moeten worden beoordeeld; voor de geloovigen daarentegen zijn de natuurwetten niet anders dan middelen en wegen, waarlangs de Schepper zijn doel bereikt. Niet alleen de mensch, maar ook al het organische en zelfs het anorganische moet volgens Haacke langzamerhand ontstaan zijn. Dezelfde grondbeginselen, die men aanneemt voor de schepping der organische natuur gelden voor Haacke ook in de schepping der anorganische natuur. Wanneer nu de mensch niet is geschapen door de almachtige hand van onzen God, stamt hij dan van dierlijke schepselen af en op welke wijze moet men zich deze afstamming voorstellen? Welke voorstelhng moet men zich dan vormen omtrent de idealen, die de mensch tracht te bereiken en sluimerden de kiemen van deze idealen ook reeds bij de dierlijke voorouders van den mensch? Ziedaar enkele vragen welke de schrijver zich stelt en tracht te beantwoorden. Haacke twijfelt natuurlijk niet aan de dierlijke afkomst van den mensch. De rudimentaire organen, die hij overal in het menschelijk lichaam aantreft, dwingen hem wel tot het besluit, dat de mensch niet als zoodanig geschapen is, maar dat hij van lagere voorouders moet afstammen. Deze rudimentaire organen moeten vroeger tot de bestendige inrichtingen behoord hebben, anders staat men tegenover eene rij van onoplosbare raadsels. Want, aldus roept Haacke triomfantelijk uit, een wetenschappelijk mensch kan toch niet aannemen, dat de Schepper of de natuur deze organen uit aardigheid zou hebben doen ontstaan! De mensch moet dus eene rij van dierlijke voorouders hebben. In de verschillende ontwikkehngstheorieën zijn voor Haacke twee punten altijd van het hoogste belang: 1". of de verschillende deelen van het organisme reeds in het ei zijn gepraeformeerd en 2". of verworven eigenschappen kunnen worden overgeërfd. Neemt men het eerste aan, dan moet men het tweede loochenen en omgekeerd. In nauw verband hiermede staan de leer van het transformisme en die van het kreatianisme. Het transformisme leert, dat de wereld van het organische zich langzamerhand uit de anorganische natuur heeft ontwikkeld en zulks nog dagelijks geschiedt, terwijl volgens het kreatianisme de Schepper de stamvormen der dier- en plantsoorten als door een wonder plotseUng met verbreking der natuurwetten heeft geschapen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 204 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 204 Pagina's