1901-1902 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 60
56 baar zonder beginselen en telkens komt men ten slotte weer daarop terug. Men mag nu wel jaren achtereen gedaan hebben, alsof we met geen beginselen zouden te maken hebben; men mag ons wel voorgespiegeld hebben, dat we met de feiten alleen te rekenen hadden en dat er toch maar ééne waarheid was, de kentering is reeds gekomen. Zij komt echter slechts langzaam. Velen meenen nog, dat het hoogste wetenschappelijk standpunt juist dat is, dat men zich op geen enkel standpunt plaatst; maar men zal mij toegeven, dat dit niet wel mogelijk is en dat de praktijk meestal aangeeft, dat zij, die dit voorstaan, tot onze tegenpartij behooren. Anderen zijn er, die een soort struisvogelpolitiek voeren, steeds met waardeering over den nietprincipieelen arbeid spreken en alleen door een paar bijbelteksten aangeven, dat ze eigenlijk geloovig zijn; een, ongewild misschien, naast elkaar plaatsen van geloof en wetenschap. Hierbij worden meestal, ten genoege van de tegenstanders, de grenzen uitgewischt en men geeft hun na, dat ze zeer waardeerend schrijven en toch voor hun geloof uitkomen. Nu is het te begrijpen, dat de studie der beginselen weinig aantrekkelijks heeft, Men beweegt zich toch op een gebied, dat geheel onbekend is, een terrein, dat nog ontgonnen moet worden. Het zal daarom ook volstrekt niet te verwonderen zijn dat zij, die zich op dat gebied zullen wagen, zeer schroomvallig zullen zijn om hunne conclusies openbaar te maken, waartoe zij komen, en evenmin, dat zij na enkele jaren over sommige punten anders zullen denken dan vroeger. Eer wij, die opgevoed zijn in de leer van het materialisme, die in onze speciale vakken telkens weer van de consequenties van die leer zijn doordrongen geworden, geheel „van smetten vrij" zullen zijn, zullen we een zeer langen weg moeten bewandelen en vermoedelijk wel eens struikelen. Blijven we echter overtuigd, dat door de opvatting, tegen de algemeen heerschende in, de eerste plaats moet ingenomen worden, dat onze geloovige wetenschap goed recht van bestaan heeft, dan moeten we trachten telkens weer op te staan en het schoone doel voor oogen houden. Hoe komen we nu tot het juiste inzicht, dat zulke breede verschillen bestaan? Daarvoor moeten we ons wenden tot eene der „verwaarloosde wetenschappen" n.l. de wijsbegeerte. Zoowel Den Houter als Keuchenius wezen reeds op het nut van de studie der philosophie. En Zeiler (Deutsche Rundschau, October 1899, Heft 1) zegt: „Was die Philosophie von allen anderen Wissenschaften unterscheidet, was ihre Unentbehrlichkeit und ihr Eecht zum Dasein begründet, ist doch eben nur dies, dass es neben den besonderen, auf einzelne Erkenntnissgebiete beschrankten Wissenschaften auch eine solche geben muss.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 204 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 204 Pagina's