1901-1902 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 172
166 beschouwd worden als een mechanisme, dat door een vernuftigen meester is vervaardigd; dit mechanisme openbaart overal en altijd in de natuur een streven naar evenwicht, waardoor de grondstoffen bij elkander worden gebracht en ook de bouw van planten en dieren wordt beheerscht. In het vierde deel spreekt Haacke meer in het bijzonder over het ontstaan van den menschelijken vorm. Zijne stelling blijft, dat al wie zichzelf niet in de armen van het wondergeloof wil werpen, wel moet gelooven aan de leer der afstamming van den mensch. Men kan zich omtrent deze afstamming echter slechts langs indirecten weg enkele voorstellingen maken door de studie van de vergelijkende kiemgeschiedenis, de palaeontologie, de geographie en de systematiek der dieren. Overal vindt men, dat elke rij van vormen met het meest eenvoudige begint en met het meest gecompliceerde eindigt, zoodat de ontwikkeUng van het lagere naar het hoogere moet tot stand gekomen zijn. Men moet echter altijd voorzichtig zijn om niet direct uit de vormverwantschap tot de bloedverwantschap te besluiten, want al is de vorm verwant, daarom behoeft nog niet afstamming uit dezelfde voorouders te volgen. Er zijn dus enkele algemeene wetten in de ontwikkeling bij elke reeks van zoogdieren, die door den band der afstamming verbonden zijn. Oorspronkelijk had men kleine dieren met lange staarten, kleinen schedel, lange voor- en korte achterpooten, sterke duimen, vele tanden, stevige haren, veel melkklieren, en uit deze hebben zich langzamerhand andere dieren met tegenovergestelde eigenschappen ontwikkeld. Springdieren zijn de voorgangers van loopdieren, boomdieren van bodemdieren, waterdieren van landdieren. Planteters komen voort uit vleescheters, dagdieren uit nachtdieren, gezellig levende van alleen levende, dieren met famiheleven van andere zonder dit, slimme van domme dieren. Bij elke ontwikkeling moeten de voorouders meer op elkander gelijken dan de afstammelingen. Voor den mensch kan men dan de ontwikkehng aannemen door de apen, de halfapen, de insecteneters, de buideldieren en de Ur-zoogdieren (vogelbekdieren). Natuurlijk moet men echter niet denken aan de tegenwoordige diersoorten, als men de bloedverwantschap na wil gaan, omdat deze zich ook in eene andere richting ontwikkeld kunnen hebben. De zoogdieren stammen op hunne beurt weer af van koudbloedige dieren, maar die kunnen even goed amphibieen als reptilién geweest zijn. Het is zeer wel mogelijk, dat men hierby moet denken aan de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 204 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 204 Pagina's