1901-1902 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 173
167 volgende rij: lancetvischje, negen-oogen, haaien, longvisschen en amphibieën. De tegenwoordige gewervelde dieren kunnen echter maar een zeer oppervlakkig denkbeeld geven van de voorouders den menschen, zoodat men er zich nooit eene nauwkeurige voorstelling van kan maken. En van onze ongewervelde voorouders weten wij nog veel minder; zijn het manteldieren, ringwormen, kreeften of spinnen? Wie zal het zeggen? Alleen dit vermoeden durft Haacke uitspreken, dat onze eerste voorouders zeer waarschijnlijk op gastrula- of gastraeaachtige dieren geleken, en de meest oorspronkelijke vorm vermoedelijk eene eenvoudige cel, wellicht eene amoebe geweest is. Het blijkt uit alles, dat Haacke, die zich niet in de armen van een blind wondergeloof wil werpen, door de studie der kiemgeschiedenis ook niet veel verder komt; alleen in zeer grove trekken schijnt deze iets te leeren omtrent de stamgeschiedenis, die dus uit allerlei vage hypothesen moet worden opgebouwd. Alleen deze troost blijft er voor Haacke over, dat hij overal de wet van het organisch evenwicht met de toenemende complicatie en differentiatie meent terug te vinden; deze moet dus als het ware alles beheerschen en beheerscht hebben. De oorsprong van den mensch en van de hoofdgroepen der zoogdieren, moet volgens Haacke gezocht worden in het groote continent van Europa en Azië ten noorden van den Himalaya. Hij acht het echter zeer goed mogelijk, dat er een oorsprong in meerdere stammen is geweest, waarheen hem ook de ontwikkehng der taal schijnt te wijzen. Op de volgende wijze denkt Haacke zich nu het ontstaan der zoogdieren : met de longen wordt de oppervlakte der ademhaling vergroot, daardoor wordt meer zuurstof opgenomen en de verbranding wordt dus sterker; er wordt dus meer warmte geproduceerd, en ten slotte wordt dan het koudbloedig dier warmbloedig. De zoogdieren stammen af van waterdieren met schubben, die eerst in stekels en later in haren overgaan om het uitdrogen te voorkomen. Tevens vormen zich talken zweetklieren en ten slotte melkklieren; de eieren worden eerst in een plooi van de huid, later in een buidel gedragen; de jonge dieren blijven dus in den buidel, likken de huidsecreten op en zoo ontstaan ten laatste de melkklieren. Dit is natuurlijk wel eene gemakkelijke voorstelling, maar of de werkelijkheid er mede overeenkomt, staat nog te bewijzen. De consequentie eischt, dat Haacke de toepassing van zijne mechanische hypothese niet alleen in de organische, maar ook in de anorganische natuur aantoont. Hij meent dan ook, dat de geheele wereld wordt beheerscht door het streven naar evenwicht en dat de Uratomen, waaruit de wereld wordt opgebouwd, geheel onder
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 204 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 204 Pagina's