1901-1902 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 160
154 Hoe komt het toch, wat is de oorzaak, dat zich in den laatsten tijd in de maatschappij een arbeid ontplooid heeft van christelijken aard — een christelijk-maatschappelijken arbeid van zulk een omvang — naast en buiten de kerk om? Hoe komt dat? Wij meenen een verklaring te kunnen geven — let wel, M. H.! onder „verklaren" verstaan wij „ophelderen" — meer niet. Het is niet te ontkennen, dat in de laatste eeuw de ontwikkeling der maatschappij en de ontwikkeling der kerk geen gelijken tred hebben gehouden. De maatschappij heeft extensief en intensief een verbazende ontwikkeling ontplooid; de kerk heeft min of meer een kwijnend leven vertoond. Het is best mogelyk, dat deze kwijning niet zoo groot is, als zij schijnt; meer relatief is dan volstrekt, d. i. meer in het oog springt, vergeleken bij het weelderig tieren van de maatschappij, waarin zij staat. Toch mag er niet aan getwijfeld worden, dat de kerk van haar invloed op de maatschappij in den laatsten tijd heeft ingeboet. Gevolg van deze ongelijke ontwikkeling is, dat de kerk niet meer voldoen kon aan haren plicht, om de maatschappij christelijk te voeden. En toch heeft de maatschappij behoefte aan voeding — krachtens de algemeene genade, waarmede God op geloovigen en ongeloovigen werkt. Zij hongert, trekt evenzeer naar voedsel, als ieder organisme, hetzij plant of dier. Indien de oude bronnen opdrogen, indien het natuurlljlc voedsel ontbreekt, dan zoekt een organisme naar nieuwe bronnen; het neemt wat het krijgen kan, waar het het ook van daan halen moet. In de spreuk: „Quand on n'a pas ce qu'on aime, on aime ce qu'on l'a", ligt ook een biologische waarheid. Het leven wil leven. Het zuigt levenskracht uit wat het krijgen kan. De maatschappij is een organisme, dat leeft. De kerk kan de maatschappij niet voorzien van wat zij voor haar onderhoud behoeft. Deze schept zich nieuwe bronnen door auto-organisatie. Deze auto-organisatie kan men zich niet beter voorstellen dan door wat de natuurlijke historie omtrent dit evolutionair proces leert. De biologie nam. leert, dat er allengs bij de ontwikkeling der hoogere organismen scherper difierentiatie van functies en organen tot stand is gekomen. Hoe hooger georganiseerd een wezen, des te meer gedifferentieerd de functies en organen zijn. De eenvoudigste organismen doen alles af met één of enkele organen. Nu, zoo zien wij hetzelfde gebeuren in de maatschappij. De maatschappij is een organisme, dat leeft. God — want deze ontwikkeUng gaat niet buiten Hem om, integendeel, Hij is de groote bewerker van deze dingen — God acht blijkbaar den tijd rijp, om de vele en velerlei
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 204 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 204 Pagina's