Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

1901-1902 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 153

Bekijk het origineel

1901-1902 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 153

2 minuten leestijd

147

WASMANN en de descendentietheorie. De bekende Wasmann heeft in het Biol. Centralblatt, jaargang 1901 ^), uiteengezet, welke positie hij inneemt tegenover de descendentietheorie. Hij wil een misverstand wegnemen, dat daarin zou bestaan, dat hij een absolute tegenstander der descendentietheorie zou zijn, omdat door hem erkend wordt, dat het normaal constant zijn der organische soorten een feit is. Ook al zouden de tegenwoordig bestaande dieren plantensoorten de laatste uitloopers zijn van stamrijen, die naar de basis toe op verschillende manieren convergeeren, dan nog zou het resultaat van die ontwikkeling hetzelfde kunnen zijn als wij op het oogenblik voor ons zien. We mogen in den tegenwoordigen tijd toch nauwelijks iets anders verwachten dan alleen zwakke sporen van de vroegere ontwikkeling. Indien er, zooals ook de palaeontologie (Von Zittel, Grundzüge der Palaontologie, 1895, S. 15) bevestigt, in de geschiedenis der organische vormen een wisseling plaats vindt van langere perioden, waarin de soorten constant blijven, met kortere, waarin verandering optreedt, dan zou het onzinnig zijn te verlangen, dat men in de eerstgenoemde perioden de ontwikkeling van nieuwe soorten kon waarnemen. Zoo iets kan tegenwoordig alleen als hooge uitzonderingen van den gewonen regel, dat de standvastigheid der vormen specifiek is, gezien worden. De proeven van Hugo de Vries maken het zeer waarschijnlijk, dat Oenothera lamarckiana zich nog in een „mutatieperiode" bevindt. Voor dieren zijn deze proeven veel moeilijker. Wasmann meent nu een voorbeeld of liever een rij bij elkaar behoorende voorbeelden te kunnen geven om te bewijzen dat er onder geheel natuurlijke verhoudingen nog mutaties voorkomen, wier resultaten constant zijn. In gezelschap van de mieren van Midden- en Noord-Europa leven vier keversoorten, tot de familie der Staphylinidae behoorend, Dinarda. Bij de grootste mierensoort en bij die, welke mierenhoopen bouwt, komt steeds de grootste Dinardasoort, bij de kleinste mierensoort ook de kleinste Dinarda voor. Dezelfde overeenkomst komt ook voor den dag wat de kleur betreft der mieren- en Dinardasoorten. Indien de voorvaderen van Dinarda geen gasten geweest zijn bij de mieren en eerst in de tertiaire periode, waarin de mieren tot een ware macht in de natuur werden, zich „aangepast" hebben aan hunne gastheeren, dan moest natuurlijk een inwendige geschiktheid voor ontwikkeling aan') Wasmann, Qiebt es thatsaohlich Arten, die heute noch in der Stammesentwioklung begriffen sind?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 204 Pagina's

1901-1902 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 153

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 204 Pagina's