Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

1901-1902 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 102

Bekijk het origineel

1901-1902 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 102

2 minuten leestijd

96 worpen blaam te zuiveren, zal niemand bevreemden. Raynal en Bordes in Frankrijk, de Duitsch-Fransche Grimm, Stanislas, koning van Polen, waren de mannen, die zich toen het Ijverigst voor den goeden naam van de wetenschap in de bres hebben gesteld. Dat Rousseau het hierbij niet zou laten, laat zich insgelijks begrijpen. De bekroonde heeft op de aanvallen niet gezwegen. Hij heeft een anticritiek geleverd, van grooteren omvang dan zijn oorspronkelijken arbeid, en naar onze meening wel zoo overredend. De literatuur, die uit de door de academie van Dyon uitgeschreven prijsvraag is voortgevloeid, is zeker der kennisneming waard — ik leg ze hier voor u ter tafel') en is . . . . een sprekend bewijs — wegens de scherpe wijze, waarop de wetenschappelijke strijd hier en daar gevoerd werd — dat Rousseau in zijn betoog niet heelemaal ongelijk heeft. Maar of hij geheel gelijk heeft? Is werkelijk door Rousseau overtuigend aangetoond, dat de beoefening der wetenschappen, want deze zijn het die ons belang inboezemen, ongunstig op de zeden heeft gewerkt ? Rousseau's betoog is deels speculatief en deels empirisch d. i. op de geschiedenis gegrond. Het komt in het kort hierop neer: a. Het speculatief betoog: Een overlevering uit Egypte naar Griekenland gekomen, zegt, dat de godheid Teuthus, vijand van de rust der menschen, de wetenschappen heeft uitgevonden om aan zijn haat te voldoen. Een oude fabel zegt, dat de sater de eerste maal dat hij het vuur zag, dit wilde omhelzen; maar door Prometheus gewaarschuwd werd; „pas op" zei deze, „gij zult den baard van uw kin beweenen, want hij verbrandt, zoodra hij met het vuur in aanraking komt." Rousseau beweert, dat de beoefening der wetenschappen uit min edele beginselen voortkomt. De astronomie heeft aan het bijgeloof haar ontstaan te danken; — de welsprekendheid aan ijverzucht, haat, vleierij en leugen; — de geometrie aan de gierigheid; de physica aan ijdele nieuwsgierigheid; en in 't algemeen alles, zelfs de moraal, aan den hoogmoed des menschen. De begeerte om zich te onderscheiden — in verband met andere min edele eigenschappen of omstandigheden, b.v. de ledigheid — noemt Rousseau een voorname bron, waaruit de lust in de wetenschap voortkomt. De zin in de letterkunde zou vooral uit deze bron ontspringen. Deze tak van wetenschap heeft dan ook verbazend veel kwaad gesticht. De eerste philosophen maakten zich een groeten naam door de ) J. J. Rousseau, Oeuvres Completes, Tome I.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 204 Pagina's

1901-1902 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 102

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 204 Pagina's