1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 88
82
spreken, wanneer men alleen den begin- en den eindtoestand der stofsystemen, die er aan deelnemen, in 't oog heeft, van de wijze en het verloop der stofomzetting echter geheel afziet. Deze beschouwingswijze is ook bij de energetische stofwisselingsbalansen mogelijk, omdat de energetische waarde van een stofomzetting ook alleen door den begin- en den eindtoestand bepaald is, onafhankelijk van de wijze van haar veiloop. Wilde men echter door deze wijze van uitdrukken juist dit verloop en den chemischen aard der stofomzetting kenmerken, zooals het door de gangbare verbrandingsformules geschiedt, dan zou men licht tot misverstand aanleiding geven. Rubner meent, dat men uit de N- en C-bevattende omzettingsproducten, die het dier gedurende een bepaalden tijd uitgescheiden heeft, de qualiteit en quantiteit der omgezette voedingsstoffen kan bepalen, indien men aanneemt, dat een dier bij bepaalden voedingstoestand voedingsstoffen van bepaald chemische samenstelhng en van bepaalde calorische waarde omzet. Rubner concludeert, dat het dierlijk leven een verbrandingsproces is; de leer van het behoud van kracht zou op biologisch gebied experimenteel bewezen zijn. Rubner let echter alleen op den begin- en den eindtoestand — waartusschen Jigt, wat men leven noemt —, hij kan alzoo over dezen tusschentoestand niets zeggen. Hij stelt zelf de praktische waarde van zulke proeven en berekeningen op den voorgrond, maar aan de theoretisch-wetenschappelijke waarde kan getwijfeld worden. Zijne berekeningen zouden exact zijn bij den hond; voor den mensch zou het voorloopig onbepaald zijn, of de berekeningen zulk een graad van juistheid zouden bezitten. Er bleek, dat de mensch als calorimeter gedacht, de voedingsmiddelen omzet op een wijze, die geheel verschilt van het physische experiment. De berekening van de enei'giewisseling uit de stofwisseling is gebaseerd op een aantal onbewezen, onbewijsbare, gedeeltelijk zelfs onwaarschijnlijke vooronderstellingen. De eerste en meest algemeene vooronderstelling is deze, dat de eenige bron van aUe door het dier geproduceerde energie in de omzetting van zijne voedingsstoffen te zoeken is. Voor de berekening van de energiewisseling uit de stofwisseling moet echter voorondersteld worden, dat de energie, door het dier afgegeven, onmiddellijk uit de omzetting van zijne voedingsstoffen komt. Dit is tamelijk onwaarschijnlijk, zelfs onphysiologisch; er zijn nl. intermediaire processen tusscheningeschoven. Rubner meent, dat de quantiteit der spankracht, zoo de beweging in warmte eindigt, aan de oorspronkelijke krachtbron beantwoordt. Dit zou juist zijn, als men geheel abstraheerde van den tijd en ongetwijfeld juist, als men het organismus als een afgesloten systeem
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's