1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 157
151 Bij de Oenothera moest een praemutatie aangenomen worden, het ontstaan van Peloria is blijkbaar anders. De leer van de anomalieën wordt in de eerste plaats daardoor beheerscht, dat uitwendige factoren alleen dan voor de verandering van den plantenvorm kunnen gelden, wanneer de geschiktheid om daarop te reageeren, d. i. alzoo de inwendige aanleg, reeds voorhanden is. Waar uitwendige oorzaken misvormingen geven, is het alleen een voor den dag komen van datgene, wat latent is aangelegd, zegt Goebel. Elke plant bezit een groote hoeveelheid van zulke latente disposities. Is de aanleg latent, dan uit hij zich weinig of alleen bij uitzondering. Is hij semilatent, dan-,uit hij zich meer of minder regelmatig, bijna jaarlijks en aan vele exemplaren. In beide gevallen zijn de disposities erfelijk. Latente en semilatente eigenschappen vormen, wat men den uitwendigen „Pormenkreis" der soort kan noemen. De in het gewone leven van een soort bij elk individu voor den dag komende of de alleen als reactie op verwonding, verminking, donker maken, bloot maken van onderaardsche organen, enz, optredende normale eigenschappen vormen den inwendigen „Formenkreis"; zij behooren tot het „innerste Wesen" der soort. Maar de tallooze latente eigenschappen behooren evengoed tot het wezen der soort, vnl. dan, wanneer ze onder de voorvaderen reeds eén deel van den „inneren Kreis" gevormd hebben en alzoo atavistisch zijn. En juist deze tot nu toe veel te weinig bestudeerde „aussere Kreis" bevat de beste aanwijzingen over de afstamming en alzoo over de systematische verwantschap. Elke wezenlijke vooruitgang in den stamboom ^) kan alleen daarop berusten, dat nieuwe, nog niet bestaande, kenteekens gevoegd worden bij den „inneren Kreis". Zoo zou men zich dan kunnen voorstellen, dat, wanneer dit bij een soort voortkomt en een enkel nieuw kenteeken er bij komt, een nieuwe elementaire soort gevormd wordt. Dit proces noemt De Vries progressieve soortvorming, en dit meent hij bij zijne Oenothera Lamarckiana waargenomen te hebben, toen hij uit haar een rij nieuwe elementaire soorten zag ontstaan. Maar de mutatietheorie verlangt geenszins, dat alle soorten op dezelfde wijze moeten ontstaan zijn, en De Vries neemt aan, dat, terwijl de voortgaande ontwikkeling, die door de hoofdlijnen van den stamboom wordt aangeduid, op de boven beschreven wijze plaats vindt, daarentegen de groote verscheidenheid der vormen, die men in vele groepen waarneemt, vaak op andere wijze tot stand zou ' ) Zie MoU, 1.0.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's