1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 150
144 met hoogstens 84/o (eens maar 15 7o) erfeliikheid is O. elliptica te noemen, die bij zelfbevruchting maar 0,5—15 "/^ elliptica-planten levert en verder zuivere Lamarckiana en de O. sublinearis, wier erfelijkheid maar 10 "/o bedraagt. De oorzaken van dit verschijnsel zijn geheel onbekend. Eveneens zijn er naast de constante sprongvariaties van onze tuinplanten ook vele met onvolkomen erfelijkheid; eenige daarvan heeft De Vries onderzocht. Het onderzoek vond steeds met cultuurproeven plaats en tot beoordeeling der resultaten werd bijna zonder uitzondering de statistische methode aangewend. Deze methode leidt bij niet constante vormen vaak tot curven, die het karakter van waarschijnlijkheidscurven vertoonen en door De "Vries in 't algemeen als zoodanig beschouwd worden. Zoo Wijkt dus dat er kenteekens zijn, uit mutatie voortgekomen, die niet alleen als gewoonlijk naar maat en getal fluctueerend varieeren, maar hetzelfde verschijnsel ook vertoonen in den graad van hun onvolkomen erfelijkheid. Zoo kan men zich voorstellen dat een kweeker (in den tuin), zoodra hij, uitgaande van een niet volkomen erfelijke mutatie, een nieuwen vorm wil fixeeren, ook de fluctueerende variatie ontmoet; een eenvoudige isoleering is daarom niet voldoende, hij is gedwongen ook systematisch selectie toe te passen. De Vries vond ook, dat op de fluctueerende variatie niet alleen de selectie, maar ook de voeding, in den meest algemeenen zin de „Lebenslage", van invloed is. En dit geldt ook voor de fluctueerende variatie van den graad der erfelijkheid. Daaruit volgt, dat voor 't optreden van een niet volkomen erfelijk kenteeken in toekomstige generaties niet alleen door selectie, maar ook door de voedingsverhoudingen een sterke invloed kan uitgeoefend worden. In 't algemeen is dit in dezen vorm, dat de kenteekens, die de grootste neiging tot latent zijn vertoonen, zoowel door goede voeding als door selectie van de individuen naar boven kunnen gebracht worden. Ook werd gevonden, dat men in den graad der erfelijkheid van een kenteeken, dat door mutatie ontstaan is, bij verschülende plantensoorten, vaak ook bij verschiflende rassen van dezelfde soort, bepaalde trappen kan onderscheiden. Het kenteeken, uit mutatie voortgesproten, kan een bepaalde middelmaat meebrengen, wat de graad der erfelijkheid betreft, waaromheen wel fluctueerende variatie kan plaats vinden, maar dat niet in werkelijkheid kan worden overschreden, zoo er niet eerst opnieuw een mutatie heeft plaats gevonden. Deze kan nu de middelmaat van den graad der erfelijkheid op een hoogeren of lageren trap brengen. De Vries beschreef hoofdzakelijk 2 van zulke trappen der
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's