1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 102
96 Met deze opmerking beoogt referent niet de juistheid dier groepeering in twyfel te trekken, alleen meent hij te mogen constateeren, dat vooralsnog alle bewijs ontbreekt, dat het onderscheid, door Kollmann gemaakt, moet worden aanvaard. Wellicht dat het dezen geleerde gelukt deze leemte bij voortgezet onderzoek aan te vullen. In de tweede plaats zij opgemerkt dat, ofschoon elk bewijs tegen het geleidelijk gewijzigd worden der menschenrassen gewoonlijk door den christelijken natuuronderzoeker gaarne wordt geaccepteerd als argument tegen de descendentieleer, zulk een bewijs toch inderdaad weinig waarde heeft. De descendentieleer — KoUmann aanvaardt haar — beschikt, meent althans te beschikken, over millioenen van jaren, en kan, al zoekt zij gaarne naar variaties, desnoods met een (nagenoeg) constant blijven, met een nauw merkbare wijziging, in de laatste 5000 jaar vrede hebben, en zij kan bovendien de verschillende rassen uit verschillende, niet in onmiddelhjk verband met elkander staande, oervormen zich doen ontwikkelen. De christelijke, schriftuurlijke, natuurbeschouwing aarzelt natuurlijk al die millioenen jaren te accepteeren en leert bovendien het ontstaan van alle rassen uit één paar menschen. Het constant blijven der raskenmerken komt haar dus eigenlijk niet in het gevlei. Waar het milieu in de laatste eeuwen van geen invloed, noemenswaard, bleek op de kenmerken van het ras, en wijl sedert eenige duizenden jaren van belangrijke wijziging van het type evenmin iets bleek, kan het ontstaan der rassen, naar referent meent, op geen andere wijze verklaard worden, dan door aan te nemen, dat aanvankelijk factoren werkzaam waren, die sedert niet meer gelden. De mogelijkheid is niet uitgesloten, dat o. a. sneller en intensiever klimaatwijzigingen, zooals eertijds wellicht plaats grepen, hierbij een belangrijke rol speelden, maar waarschijnlijk is het toch niet, dat die rol van groote beteekenis was. Eeferent zal te dezer plaatse niet naar oplossing van het zoo gewichtige als moeilijke probleem zoeken, maar meent toch de vraag te mogen stellen, of niet de lange levensduur der eerste menschen, en het lang, nauw samenleven van elkander na verwante personen, welke de Schrift ons leert, de voornaamste dier factoren kunnen zijn geweest. Het ontstaan toch der rassen moet haar laatsten grond hebben in invloeden, die tot verandering der kiemcellen aanleiding gaven. Zulk een verandering kan leiden hetzij tot eene geleidelijke degeneratie, hetzij tot eene variatie van sommige organen, waardoor raskenmerken, ontstaan. De stofwisseling der ascendenten, welke op de kiemcellen influenceert, staat weder onder den invloed van hunne leefwijze, van de voeding
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's